Het Stedelijk biedt ons straatvuil - pijn is fijn

Voor Mike Kelley was de wereld zijn supermarkt. Hij kon alles gebruiken. Hij grondvestte een snerpend kunstwerk op een plastic herdenkingspop van ‘John-John’ Kennedy op de begrafenis van zijn vermoorde vader (in dat blauwe rijke-jongensjasje, met die saluerende kinderhand). Hij maakte mozaïeken met stopcontacten, scherven en duizenden valse-parelsieraden van de buurtparfumerie. En nee, dat oogt niet als uit de hand gelopen moederdagcadeaus. Die megalomane collages zijn net zo verwarrend als zijn narrige installaties en video’s. Zijn werk zindert, maar niet van geluk. Een klein jaar geleden maakte Mike Kelley zich van kant.

Het overzicht van Kelley’s kunst is het eerste grote avontuur van het vernieuwde Stedelijk Museum. De expositie doet waarvoor we het Stedelijk hebben: het verkoopt het publiek een dreun. Pijn is fijn. We hebben het Stedelijk niet om op veilig te spelen met overbekende helden die garant staan voor zogeheten blockbusters.

Blockbuster – die term is in de museumwereld een soort bewijs van goed gedrag geworden. Hij is gepikt van de filmindustrie, waar hij staat voor de sure hit van lekkere actiefilms met megageliefde filmsterren. Zulk succes met voorbedachten rade vertalen de musea welgemoed naar het snob appeal van grote-namenkunst die een must see is. (Excuus. Amerikaanse overdrijftermen coveren de blockbuster het beste.)

Laat ik nu niet snobisme op snobisme stapelen: uiteraard was het een voorrecht om afgelopen zomer, met een ruim van tevoren besteld ticket, alle schilderijen van Leonardo da Vinci (min de Mona Lisa) bij elkaar te kunnen zien in Londen, in de National Gallery. Een blockbuster, indeed. En Edward Hopper, nu in Parijs en alle dagen volgeboekt, trekt ook. Maar de Kelley-expositie biedt iets anders. Straatvuil.

In beeldende-kunstkringen is Mike Kelley wereldberoemd. Daarbuiten is hij hooguit een naam. En toch stromen we met velen naar het Stedelijk, om ons te bezatten aan zijn taferelen vol pseudogeluk, pseudoseks en pseudobevrediging. Zijn reeks portretten van knuffels suggereert dat zelfs pluche menselijker is dan de mens. Kelley keek naar de wereld en ijsde ervan.

Kelley bediende zich van overdadige kitsch, en je blijft komen om meer. Dus begin ik, weer thuis, aan de dvd-box met de tv-serie Game of Thrones. Een fantasy-saga over een stuk of wat vuige koningsfamilies en hun onderlinge haat, op middeleeuwse leest. Tien uur later heb ik hem uit en daarna kan ik niet slapen. Pure kitsch, ja, inderdaad. Behaagziek, met het accent op ziek, daar gaat het om en daarom is het zo goed. Het brengt in trance, net als bij Kelley. Wát een onweerstaanbare kwaliteit, wat een details. Een dwerg als een Britse dandy uit de jaren 60. Een doorgetripte koningin met een prinsje van een jaar of tien aan haar borst. Er hangt een druppel moedermelk aan zijn kin. Alleen dat al.

Naar De weg naar Van Eyck, in Museum Boijmans in Rotterdam. Blockbuster? Ik weet het niet. Het is er druk. Begrijpelijk, deze 15de-eeuwse man was een schilder zonder weerga. Fantasy was hem niet vreemd, wonderen zijn realiteit.

En Game of Thrones gaat hier gewoon door. De tv-makers moeten het werk van Van Eyk bestudeerd hebben. Ze kopieerden poorten en torens. Leerden van kleding in zware plooien. Lichaamstaal. Lichtinval. Personages. Ik zie bij Van Eyck een vadsige schildknaap dutten en ik herken direct het Thrones-personage Samwell.

Van Eyck keek naar de wereld en genoot. Hij zag als eerste schilder het belang in van decors, kostuums en omstandigheden voor bijbelse taferelen. De heilige Barbara is heilig, maar achter haar wordt er geleefd. Daar wordt gezaaid en gekletst. Deze mensen zijn ergens, zei Jan van Eyck. Ze leven.