Het ongeluk van de prins lag niet aan Waterstaat

Prins Bernhard kón geen schuld hebben aan de aanrijding. Wilhelmina liet het uitzoeken, blijkt 75 jaar later uit het Nationaal Archief.

Wrak van de auto waarmee prins Bernhard een ongeluk kreeg in november 1937. De auto was in aanraking gekomen met een zandwagen. FOTO: Spaarnestad Fotoarchief

Slappe hap, dat was de Wegenverkeerswet die in 1938 moest ingaan. Tenminste, dat vond koningin Wilhelmina toen ze op 26 november 1937 een opzet onder ogen kreeg. In de kantlijn van het exemplaar dat naar het Kabinet der Koningin was gestuurd, staat bij de voorgestelde straffen voor verkeersovertredingen een aantal keer met potlood genoteerd dat die onvoldoende waren. Waarom kon iemand die herhaaldelijk de fout inging, niet voor het leven de rijbevoegdheid worden ontzegd, wilde Wilhelmina weten.

Drie dagen nadat de koningin zich over deze kwestie had gebogen, raakte haar kersverse schoonzoon betrokken bij een ernstig verkeersongeluk. Wilhelmina was ontdaan. Ze vroeg minister Johannes van Buuren van Waterstaat welke ambtenaren hadden gefaald bij de bewegwijzering van de straat waar prins Bernhard bijna het leven had gelaten. Dat de man van prinses Juliana zelf ook schuld kon hebben gehad aan het ongeval, ging er bij Wilhelmina niet in.

Zoals traditie is, gaf het Nationaal Archief op de eerste dinsdag van het jaar weer honderden meters archivalia aan de openbaarheid prijs. Die werden om verschillende redenen – staatsveiligheid, privacy – tot dan achter slot en grendel gehouden, alleen in te zien door onderzoekers na een met redenen omkleed verzoek.

In het geval van het ongeluk van prins Bernhard waren de stukken van het Kabinet der Koningin al eens geraadpleegd door Cees Fasseur, voor zijn biografie over koningin Wilhelmina. Nu kan elke Nederlander ze bekijken.

De directeur van het Kabinet der Koningin stuurde 6 december een briefje aan minister Van Buuren. De directeur had de eer mede te delen dat „H.M. er door geschokt is dat een ongeval, als aan Z.K.H. Prins Bernhard is overkomen, kon plaats grijpen ten gevolge van nalatigheid van de betrokken autoriteiten”. Wie waren de verantwoordelijken en waren er al maatregelen tegen hen genomen?

Het antwoord van de minister zat twee weken later bij de post. Hij stuurde een uitgebreide analyse van de verkeerssituatie op de Muiderstraatweg bij Diemen, waar Bernhard op 29 november om kwart over zeven ’s ochtends in botsing was gekomen met een vrachtwagen gevuld met zand die uit een uitrit kwam. Bijgesloten was een twee meter lange kaart van het desbetreffende wegdeel.

Van Buuren was ter plekke geweest, schreef hij, zodat hij een „zoo volledig mogelijk oordeel omtrent het gebeurde” kon vormen. De minister concludeerde dat de bewegwijzering rondom de uitrit afdoende was. Het zicht op uitrijdende zandauto’s was „ruim”, schreef hij. Door een medewerker van de koningin staat daar met potlood bijgeschreven: „Ook bij slecht zicht, mist etc.??”

In zijn conclusie staat Van Buuren pal voor zijn ondergeschikten: „Voor het gebeurde kan naar mijn ernstige overtuiging geen der onder mijn Departement behoorde ambtenaren geacht worden onmiddellijk verantwoordelijk te zijn.” De minister sloot af met de opmerking dat hij behoefte voelde „uiting te geven aan de diepe ontroering, welke het ongeval bij mij teweeg heeft gebracht”.

Over de rol van de prins bij het ongeluk repte de minister met geen woord. Bernhard had met zijn Ford met 160 kilometer per uur door de schemering gejakkerd. Een maximumsnelheid bestond niet in 1937 én was geen onderdeel van het wetsvoorstel dat Wilhelmina kort voor het ongeluk zo fel bekritiseerd had.

    • Bart Funnekotter