De maan kun je aaien

De maan is colakleurig en zo glad als een spiegel. In Washington kun je hem aanraken.

Ik heb de maan aangeraakt. Nee, dat is natuurlijk niet helemaal waar, want de maan is zo ver weg dat je hem niet aan kunt raken. Hij is zelfs te ver weg om met een vliegtuig heen te vliegen. Dat kan alleen met een raket. Maar ook André Kuipers is niet op de maan geweest. Er hebben maar een paar mensen op de maan gestaan, lang geleden, begin jaren zeventig. Na een paar keer is er niemand meer heen geweest. Het schijnt een beetje saai te zijn op de maan.

Toch heb ik de maan aangeraakt. Dankzij de Amerikaanse astronauten die in 1972 op de maan waren. Zij namen een paar kleine stukjes van de maan mee naar de aarde.

Een van die stukjes is te zien in een museum in Washington. In de meeste musea mag je alleen naar de dingen kijken. Maar in het National Air and Space Museum mag je de maan aanraken. De mensen staan ervoor in de rij. Volgens de astronauten mag het saai zijn op de maan, iets aanraken wat van zo ver komt, dat is toch een buitenkans.

Het stukje maan dat je mag aanraken, is niet zo mooi van kleur als de maan die je aan de hemel ziet staan. Die gekke kleur, tussen goud, zilver en belegen kaas in, heeft alleen de maan. Het stukje dat de astronauten van de maan afsneden is donkerbruin, bijna zwart. Het heeft ongeveer de kleur van Coca-Cola.

Van die kleine stukjes maan hebben de Amerikanen later aan andere landen gegeven, als cadeautjes, geen bloemen of taart maar maan. In Nederland zijn daardoor ook een paar stukjes maan, in het Estec Space Centrum in Noordwijk en in het Museum Boerhaave in Leiden. Ook het Rijksmuseum dacht lang dat ze een stukje van de maan hadden. Dat zouden ze gekregen hebben van de Amerikaanse ambassadeur. Maar het stukje maan van het Rijksmuseum bleek twee jaar geleden nep te zijn. Het was een stukje versteend hout, en dus gewoon van de aarde, want op de maan groeien geen bomen.

De maan in Noordwijk en Leiden mag je niet aanraken. De maan in Washington wel. Het is een driehoekig stukje maan dat op een sokkel ligt. Voor mij in de rij stonden een paar Amish kinderen. Dat zijn Amerikanen die bijna nog net zo leven en er net zo uitzien als in de zeventiende eeuw. Zij rijden bijvoorbeeld geen auto maar paard en wagen. Achter mij stonden twee Chinese dames. En weer achter hen stonden een paar Fransen. De maan aanraken, dat wil iedereen wel, ook al is het maar een klein stukje.

Toen ik aan de beurt was, wreef ik met mijn vinger voorzichtig over het driehoekje. Ik verwachtte een elektrische schok of zoiets. Maar die kwam niet. De maan voelde net als een stuk spiegel. Ik deed mijn ogen dicht. Toen boog ik me heel dicht over het stukje maan. Ik deed mijn ogen weer open. Nu zag ik niets meer van het museum, van de andere bezoekers. Ik zag alleen maar maan.

Toen aaide ik de maan. Ik fluisterde dankjewel. Want hoe lelijk het soms ook op aarde is, de maan blijft altijd mooi en altijd onverwacht.