De generatie die van school kwam toen de crisis begon

Samenwonen, een huis kopen, kinderen krijgen. Kunnen jonge stellen dat in deze tijd nog met een gerust hart doen? Laatste aflevering in een serie over het familieleven.

Myrte Hamburg (25) woont drie jaar samen met Johan Pijl (31). Hij werkt fulltime als bouwkundige, zij is onderzoeksassistent bij de afdeling ontwikkelingspedagogiek van de VU. Voor hun tweekamerappartement betalen ze samen 440 euro per maand. Johan: „We hebben veel geluk gehad. Wij huren nu bij een corporatie. Ik ben hier jaren geleden komen wonen, Myrte kwam erbij.” Is het appartement van 57 vierkante meter wel groot genoeg voor hen beiden? Hij vindt van wel. Zij zou een extra kamer wel fijn vinden. En een grotere keuken. „Om meer mensen te ontvangen voor het eten. Maar ik ben groter wonen van huis uit gewend.”

Veel jonge stellen wonen net samen, gaan dat binnenkort doen of doen dat al een tijdje. Ze willen kinderen, of niet, willen een huis kopen, of niet. Hoe doen ze dat in tijden van economische crisis?

De woning van Myrte en Johan is wel te koop aangeboden. Maar ze willen blijven huren. Myrte: „Vijf jaar geleden zouden we dolblij zijn geweest met die kans, dan kochten we daarna wat nieuws van de overwaarde. Maar nu niet. Een huis huren in de vrije sector kost wel tot 1.200 euro huur per maand. Dat kunnen we niet betalen.” Ook weten ze dat er misschien een huurverhoging aankomt. Johan: „Mijn salaris is net bovenmodaal, 33.000 euro op jaarbasis, Myrte heeft een tijdelijk contract. Maar stel dat je je baan verliest, kan zo’n huurverhoging ook worden teruggedraaid?”

„Dit zou een tijd van vrijheid moeten zijn”, zegt Myrte. „Je hebt nog geen kinderen. Je kunt sparen. Doen wat je wilt. Maar dat kan niet, er is zo veel onzekerheid.” Ze geeft wel minder makkelijk geld uit dan Johan. „Dat heeft weleens voor onbegrip gezorgd.” Maar eventuele spanningen worden ondervangen doordat ze allebei een eigen rekening hebben. Myrte: „Dan kan ik het wat makkelijker laten gaan als hij iets aanschaft wat ik duur of onnodig vind.”

Johan is zich wel, net als Myrte, bewust van zijn financiële kwetsbaarheid. „Architectenbureaus gaan voortdurend failliet of halveren het personeel. Ik had geluk, ik werkte er net lang genoeg om niet ontslagen te worden en te kort om een te hoog salaris te hebben”. Vrolijk wisselen van baan zit er ook niet in. „Dit is mijn eerste baan. Vrienden die gingen jobhoppen, zijn nu ontslagen. Voor mij is de crisis een stimulans om juist extra mijn best te doen op mijn werk.”

Het jong getrouwde stel Maarten Katoen (29, webprogrammeur) en Lina Katoen (31, bankmedewerker) spelen ook op safe en veranderen voorlopig niet van baan. Ze willen wel een woning kopen, maar kunnen de juiste starterwoning niet vinden. Kinderen willen ze ook.

En pas als je kinderen hebt, weet je wat voor huis je wilt, volgens Maarten. „Stel dat je dan weer wilt verhuizen? Wil je ergens nog dertig jaar wonen? We verdienen prima, maar banken geven niet makkelijk meer een hypotheek. Als we nu een huis zouden kopen dat over twee jaar 30.000 euro minder waard zou zijn... Dat kunnen we niet missen.” Ze willen allebei wel een „huis met karakter”. „Ook al is het crisis, onze kinderen moeten in een mooie omgeving opgroeien. Het is jammer dat alles nu alleen maar over geld gaat. We denken alleen nog maar op korte termijn, alles moet nú. Maar er is meer dan dat in het leven.”

Lina voelt wel meer werkdruk bij de bank dan Maarten in de IT-sector. „Maar onze relatie blijft stevig, daarover is geen stress. We moeten dingen nu alleen beter gaan plannen.”

Wat opvalt is dat de jongeren doordrongen zijn van wat mis kan gaan. Volgens Will Tinnemans (53), journalist en schrijver van Voor jou tien anderen uit 2011, is dat niet verbazingwekkend. „Veel jongeren kwamen van school toen de crisis begon. Al jaren zijn ze omringd door negatieve boodschappen. Als je je geld op een bank zet, kan die bank morgen niet meer bestaan, aan uitkeringen doen we alleen nog in ernstige gevallen. Als je gaat studeren, steek je je flink in de schulden, je baan kun je zomaar kwijt zijn en of je ooit nog iets terugziet van je pensioenpremie moet je maar afwachten.”

Tijdens de economische crisis van begin jaren 80, toen Tinnemans afstudeerde, was er ook onzekerheid en het besef dat de bomen niet meer tot in de hemel groeiden. „Maar toen waren er nog studiebeurzen, ook als je een tweede studie begon. En er waren voorzieningen van de verzorgingsstaat waar je op kon teren. Onder het eerste kabinet-Lubbers begon het: no-nonsense, minder overheid, ruim baan voor het bedrijfsleven. Nu is vrijwel niets meer zoals het was en niets is meer vanzelfsprekend. Vanaf 2008 is het een echt serieuze crisis. Jongeren beseffen dat.”

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) berichtten in december over de groeiende armoede in het Armoedesignalement 2012. Vanaf 2008 is het aantal armen in vrijwel alle inkomenscategorieën (en dus leeftijden) sterk gestegen. Jaarlijks zijn er van 11.000 tot en met 15.000 arme mensen bijgekomen – armoede is: maximaal 960 euro besteedbaar inkomen per maand voor alleenstaanden en 1.320 euro voor een echtpaar. In 2006 was in de leeftijd tussen 30 en de 44 jaar nog 6,6 procent arm (235.000 personen), in 2011 8,4 procent (271.000 personen). Ruim een kwart van de armen en iets meer dan 10 procent van de niet-armen noemt woonkosten een zware financiële last.

Maaike van Rest (24), promovendus, is daarom ook „realistisch”. Ze gaat deze maand wel samenwonen met haar vriend, projectmanager Sietse van Vrede (25). Maar ze denken niet eens aan een koopwoning. „De huur is 900 euro per maand en dat kunnen we nu betalen. Je maakt nu toch geen winst met je koophuis. En je wilt je niet vastleggen. Mocht er iets misgaan in je relatie, daar ga je niet van uit, dan is het lastiger om te verkopen.”

„De crisis heeft op jongeren een remmende werking. Vroeger was er nog een vanzelfsprekende opwaartse sociale mobiliteit”, zegt Tinnemans. „Tot 1960 was hooguit 10 procent hoogopgeleid. Nu is dat drie à vier keer zoveel. Onze kinderen zouden het beter hebben dan wij. Nu kan alles anders lopen. Je weet niet of je ergens anders nog een baan vindt.” Dat besef heerst onder alle geïnterviewden. Maarten Katoen: „Ja, het is nu andersom, vroeger bepaalde je meer als werknemer, nu bepaalt de werkgever. Je hebt niet zomaar een andere baan.”

Ondertussen weigeren jongeren zich te laten ontmoedigen. Johan Pijl is verbaasd over de vroegere groeigedachte in de economie. „Die groeimodellen waren helemaal niet realistisch. Dat zie je aan de crisis. Het is ook best eng, die bestaansonzekerheid. Er wordt constant nadruk gelegd op wat er niet is. Dan ontstaat er angst en wordt er niet geïnvesteerd. Dat is niet goed voor de economie. Nederland heeft veel in zijn mars. We moeten elkaar niet zo gek maken, en dankbaar zijn voor wat we hebben.”

Hij vindt dat hij „eigenlijk aan de goede kant van de streep” staat. „Als we allebei eerder carrière hadden gemaakt, zzp’er zouden zijn, twee kinderen hebben en een koophuis, dan en een huis hadden gekocht met twee kinderen, dan zaten we nu met een restschuld. Wij hebben nog de mogelijkheid om voorzichtig te doen.”

Ook Maarten Katoen is positief. Hij denkt dat hij zijn baan wel zal houden en een huis zal vinden. „Maar stel, alles wordt zomaar anders, daar zit je wel mee, helemaal als je een gezin wilt stichten. Ik wil mijn kinderen goed verzorgd op aarde brengen. Onze relatie blijft goed, maar door de crisis overleggen we meer en doen we een deel van ons inkomen in een spaarpot.”

En Myrte Hamburg houdt haar droom overeind. „Over vijf jaar zou ik nog steeds groter willen wonen. Maar als dat niet kan, dan kan ik me daar wel in schikken, zolang we maar te eten hebben en een dak boven ons hoofd.”