Wij zijn er ook nog Hallo!

Zal de positie van zelfstandigen dit jaar verbeteren? Nu wordt het groeiende leger zzp’ers – tien procent van de werkenden – nog slecht gehoord.

A male and female business suit --- Image by © David Leahy/cultura/Corbis © David Leahy/cultura/Corbis

Nee, ze zaten er niet bij, afgelopen maand, toen Rutte en Samson het polderoverleg tussen politiek, bedrijfsleven en werknemers nieuw leven wilden inblazen. Evenmin werden ze genoemd in het regeerakkoord.

En toen de inmiddels beruchte koopkrachtplaatjes werden gepresenteerd, was er geen plaatje dat betrekking had op hen. Onderhand willen veel zzp’ers weleens weten waarom eigenlijk niet. Worden zij over het hoofd gezien door het nieuwe kabinet?

Daarom regende het in december e-mails bij de fractievoorzitters in de Tweede Kamer. Vele duizenden, denkt Johan Marrink – een Groninger die al zzp’er was voor de term bestond en in 2005 de stichting ZZP Nederland oprichtte.

Hij weet dat – van die duizenden – want het was een gecoördineerde actie. „We hebben een mailtekst opgesteld en rondgestuurd naar onze leden, plus geïnteresseerden. Ze hoefden alleen maar op ‘verzend’ te drukken. Als iedereen meedoet, gaat het om 35.000 mensen.”

Als dat zo is, wil dat wat zeggen. Al kwam er geen spandoek of optocht aan te pas, waarschijnlijk zag Nederland dan de afgelopen weken het eerste, georganiseerde protest van Nederlandse zelfstandigen.

In eerste instantie richt zich dat op een formeel punt. Hoewel de positie van zzp’ers niet ter sprake komt in het regeerakkoord, wordt er wel in vage termen gesproken over het verdwijnen van voor hen relevante aftrekposten.

„Het kan zelfstandigen een paar duizend euro per jaar schelen in hun inkomen. Dus wij vroegen de regering opheldering – kregen we niet”, zegt Marrink. „Waarom niet? Waarom maken ze niet duidelijk wat de bezuinigingen voor ons betekenen? Voor bijna iedereen is dat inmiddels uitgerekend.”

Ontstemde zzp’ers kregen op de valreep van het jaar extra munitie in de vorm van een rapport van het Centraal Planbureau (CPB) en het Verwey-Jonker Instituut.

Terwijl het nog vaag is hoe nieuwe regeringsplannen voor de zelfstandigen uitpakken, is het volgens de schrijvers van het rapport wel al glashelder hoe het bestaande sociale zekerheidsstelsel hen ter dienste staat: nauwelijks.

Anders dan werknemers in loondienst zijn zzp’ers bijvoorbeeld niet automatisch verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid. Ze kunnen wel zelf een verzekering afsluiten, maar de meerderheid (58 procent volgens het CPB) doet dat niet: te duur.

Volgens de auteurs van het rapport doen veel zelfstandigen ook nog eens weinig of niet aan pensioenopbouw. Een „sociaal probleem” noemde onderzoeker Fabian Dekker van het Verwey-Jonker Instituut dat eerder in NRC Handelsblad. Waar blijven de plannen om dat verhelpen?

Dat de positie van zzp’ers überhaupt onderwerp van onderzoek werd, komt doordat ze al lang niet meer een marginaal deel van de arbeidsmarkt zijn. Het gaat volgens het CBS om 760.000 arbeidskrachten. 10,2 procent van de werkenden.

En ook juist dát deel van de werkenden dat (volgens het Platform Zelfstandige Ondernemers) „broodnodig is voor de veerkracht en flexibiliteit” van de huidige economie. Een stelling die het CPB onderschrijft.

Het zijn timmermannen en notarissen, boekhouders en artsen, tekstschrijvers en fysiotherapeuten. Denk aan een willekeurige Nederlandse romanschrijver – waarschijnlijk is dat er één. De stratenmakersbranche zou niet hetzelfde zijn zonder zzp’ers. Veel tv-programma’s, kranten en gebouwen zouden gaten vertonen.

En het worden er steeds meer. De statistici van het CBS telden een toename van 250.000 zzp’ers in de afgelopen tien jaar. Hun aandeel van de beroepsbevolking groeide van 6,4 procent in 2000 naar 9,5 procent in 2010. En de grootste groei vindt plaats bij de toekomst van de arbeidsmarkt: werkenden tussen de 25 en 35 jaar oud.

Als die groei doorzet, kan Nederland in 2030 zo een miljoen zelfstandigen tellen, menen het CPB en Verwey-Jonker Instituut. En in sommige sectoren – de bouw bijvoorbeeld – zullen ze dan goed zijn voor 49 procent van alle arbeidskrachten.

Als het kabinet nog niet zo goed raad weet met die aanzwellende massa: dat probleem hebben meer organisaties. Niet één instelling in de klassieke polder – waardoor wensen en klachten via ingesleten kanaaltjes naar Den Haag kabbelen – lijkt er al helemaal op ingesteld.

De vakbonden vertegenwoordigen ze niet echt, zegt hoogleraar arbeidsmarkt en sociale zekerheid Ruud Muffels. De belangenorganisaties voor werkgevers ook niet. Want een zzp’er zit qua positie tussen baas en personeel in. Dat blijkt lastig.

Politieke partijen houden zich nog maar net met de groep bezig. Dit jaar was er voor het eerst een verkiezingsdebat voor zzp’ers, in een zaaltje, in een wegrestaurant aan de A1 (we zijn goed voor tien zetels, benadrukte ZZP Nederland vooraf fijntjes).

En in de Sociaal Economische Raad (SER), het Vaticaan voor de poldergelovigen, praten zzp’ers pas sinds twee jaar mee. Twee van de 33 zetels zijn voor hen beschikbaar. Hoewel een deel van de zzp’ers klaagt dat over die zetels nog erg de schaduw van bonden en werkgevers hangt.

Het is wennen aan the new kid in town die niet in de traditionele verdeling van kapitaal en arbeid past. Maar volgens hoogleraar Muffels dragen zzp’ers zelf bij aan die onwennigheid. Want zijn ze nu ondernemer of werknemer zonder contract?

„Het is onmogelijk om te spreken over dé zzp’er”, zegt Muffels. Om te beginnen zijn er grote verschillen in werk en inkomen. Er zijn zzp-juristen die 140 euro per uur vragen, en zzp-vrachtwagenchauffeurs die voor dat bedrag van midden Nederland tot aan Parijs rijden.

Een grotere spraakverwarring treedt op tussen groepen zzp’ers met verschillende motieven. Je hebt, zegt Muffels, de klassieke ondernemers. Zij bieden hun expertise aan – hoe je een boekhouding op orde brengt, een rug kraakt, een stoep betegelt – maar blijven het liefst onafhankelijk.

Zij zijn die ‘grote groep’ die volgens een onderzoek van het ministerie van SZW ‘vrijwillig en bewust voor het zzp-schap kiest’ en daarover positief is.

„Wat wij vooral willen?” vraagt Marrink. „We willen geen dingen – we zijn geen vakbond. Subsidies en cao’s horen niet bij het ondernemen We hoeven ook niet over van alles mee te praten. We willen alleen ruimte. Minder regels.”

Maar niet alle zelfstandigen denken zo. Er is een groeiende groep ‘schijn-zzp’ers’, zegt Muffels. Die wordt ontslagen bij een bedrijf en weer aangenomen als zelfstandige. Dat gebeurde afgelopen jaar bijvoorbeeld in de tuinbouw en de journalistiek.

Vergelijkbaar zijn de zelfstandigen ‘bij gebrek aan beter’. Die kunnen geen werk vinden in loondienst, maar willen wel in een bepaalde sector aan de slag. Het CPB schat de omvang van de groep schijn-zzp’ers op zo’n tien procent van het totaal.

Zij willen volgens de hoogleraar juist vooral een deel van de zekerheden die werknemers in loondienst hebben. Als er geen cao is, dan toch afspraken om op terug te vallen. Minimumtarieven misschien. Juridische bescherming. Precies de zaken waarvan de andere zzp’ers gruwen.

Sprekend voor de verdeeldheid tussen zzp’ers is de kift tussen hun belangenbehartigers. Twee van de belangrijkste zijn FNV Zelfstandigen en het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) – zij bezetten de zetels in de SER.

Een derde vertegenwoordiger, ZZP Nederland, heeft daarop kritiek: de organisaties zouden aan de jaspanden hangen van de vakbond en de werkgeversorganisatie. En dan representeer je de zelfstandigen toch niet echt.

Een vierde organisatie – ZZP Netwerk Nederland – heeft dan weer commentaar op ZZP Nederland. Gaf de organisatie zelfs een 5,7 voor het werk. Onder andere omdat de organisatie wordt gerund door beroepskrachten, niet door actieve ondernemers.

Hoogleraar Muffels: „Zo gaat dat vaker met belangenbehartiging. Wie spreekt namens de hele groep? Maar hier is dat wel onderdeel van het achterliggend probleem.”

„De arbeidsmarkt piept en kraakt. Maar de vakbond spreekt steeds meer alleen namens vijftigers met een vaste baan. Veel andere groepen blijven over zonder zo’n spreekbuis. Behalve zzp’ers ook flexwerkers in diverse constructies en jongeren. Je moet je bij besluitvorming steeds meer afvragen wiens stem wordt vertegenwoordigd.”

    • Wouter Smilde