Tot nooit meer ziens

Sommige mensen verbreken alle contact met hun ouders. „Iedere gek kan maar kinderen krijgen.” Vijfde aflevering in een serie over het familieleven.

Het was iets wat zijn moeder zei, in een telefoongesprek. Dat was de druppel. Jou wil ik niet meer zien, dacht hij. Ze had gezegd: „Ik zou het fijn vinden als je nu wat vaker zou bellen om me een beetje in de gaten te houden. Ik heb mijn hele leven voor jullie gezorgd, nu is het tijd dat jullie voor mij gaan zorgen.”

„Ineens kwamen er allemaal slechte herinneringen aan mijn jeugd boven. Ik zei nog zo’n beetje ‘Ja, ja’, maar ik had een hele heftige fysieke reactie. Toen bleef het een paar dagen broeien en ik werd eigenlijk steeds bozer en bozer: mijn hele jeugd heb ik geleden onder jouw slechte jeugd en nu doe je ook nog een beroep op me!”

Na een paar dagen heeft hij zijn moeder een brief geschreven. „Eén kantje maar. Dat ik haar niet meer hoefde te zien. Ik had geen zin om het uit te leggen. Ik dacht: zak er maar in.” Hij heeft de telefoon niet opgenomen en haar berichten gewist zonder ze af te luisteren. „Ik ben bang dat ze zielige verhalen gaat vertellen. Ja, nee, zo heb ik het niet bedoeld. Ik ken haar, ik weet wat ze gaat zeggen.” Daarna heeft hij haar nog een langere brief gestuurd, waarin hij zijn beslissing uitlegt.

Hij is 48 jaar. Hij wil niet met zijn naam in de krant, om zijn kind de publiciteit te besparen. Hij zegt vooral negatieve herinneringen te hebben aan zijn moeder, die nu eind 70 is. „Zij werd altijd onverwacht heel erg boos, om redenen die ik als klein kind niet goed begreep. Mijn moeder vertelde ook weleens dat ik tot mijn tweede, derde jaar vrij knuffelig was en daarna niet meer, bij haar. Dat ik verstijfde als ze me vastpakte.” Het voelde onveilig. Hij zegt dat hij zich al vanaf zijn zesde aan de opvoeding onttrok. „Als je mijn ouders vraagt hoe ik was als kind: die voedde zichzelf op. Ik besloot dat zij mij niets konden brengen, dat ik het beter zelf kon uitzoeken. Dat heb ik heel lang heel stoer gevonden, tot een paar weken geleden. Toen ik dacht: dat is helemaal niet goed!”

Zijn besluit is nog maar een paar weken oud. Marloes Hospes, een pseudoniem, deed dat bijna 15 jaar geleden. Ze schreef het dit najaar verschenen boek Breken met je ouders. Het contact met je ouders verbreken is volgens haar een taboe, met haar boek wil ze vooral duidelijk maken dat het kán. „Mensen staan vijandig tegenover het idee. Ook de meeste therapeuten.” Niet als het gaat om mishandeling of seksueel misbruik. „Dan begrijpen mensen dat je ze niet meer wilt zien.” Maar ouders kunnen kinderen op veel manieren beschadigen – vaak doordat ze zelf ernstig beschadigd zijn. Kinderen stelselmatig kleineren, grotendeels negeren, onzelfstandig houden of juist te jong te veel verantwoordelijkheid geven, is ook ernstige mishandeling.

Hospes’ vader was alcoholist, haar moeder zo egocentrisch dat Hospes zichzelf heeft moeten leren tandenpoetsen. Langzaamaan werd haar duidelijk dat haar opvoeding niet normaal was. „Toen ik elf jaar was realiseerde ik me al: iedere gek kan maar kinderen krijgen.” Toch heeft ze tot laat in de puberteit, en dat is typisch voor kinderen, gedacht dat het aan haar lag. „Ik bén ook een rotkind, dacht ik.” Het pijnlijkst was het om bij vriendinnen te komen die wel een goed gezin hadden. Dan kon ze even niet langer ontkennen hoe eenzaam ze thuis was.

Haar boek is geschreven als steun voor mensen die het contact met hun ouders willen verbreken. Het richt zich voor een groot deel in de jij-vorm tot de inmiddels volwassen kinderen van slechte ouders. Het boek leest hier en daar zelfs als pleidooi voor het afscheid nemen van disfunctionele ouders: de laatste zin van het boek is ‘Je zult er sterker uitkomen’. Minder drastische stappen, zoals acceptatie en het scheppen van voldoende emotionele afstand tot je ouders, komen maar karig aan bod, omdat volgens Hospes de meesten dat al jarenlang tevergeefs hebben geprobeerd.

Daarmee wijkt Hospes af van de communis opinio onder de meeste relatie- en gezinstherapeuten. Die is volgens psychotherapeut Carolien Roodvoets dat daar zéér terughoudend mee omgegaan wordt. Roodvoets is lid van de Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapeuten en auteur van het boek Niemandskinderen over de gevolgen en de verwerking van een onveilige jeugd. „Breken kan een optie zijn als ouders fysiek beschadigend zijn of als het kind geestelijk totáál niet tegen zijn ouders is opgewassen.”

Maar het risico is groot dat dezelfde problemen dan elders opduiken. „Als je geen antwoord hebt, of vindt, op de kwetsuren van de ouders, kun je je ook elders niet teweerstellen.” Bovendien zijn kinderen loyaal ten opzichte van hun ouders, ook als die dat niet verdienen. Kinderen moeten de hoop opgeven dat ze ouders kunnen veranderen, zegt Roodvoets. Ze moeten proberen hun verwachtingen bij te stellen, door hun ouders te zien als beschadigde mensen – zonder hun eigen pijn te ontkennen. „Dat gaat gepaard met veel woede en daarna vaak verdriet. Een soort rouw over het verlies van een ideaalbeeld.” Mogelijk is het beter om in die fase ouders op afstand te houden, zegt Roodvoets. Als het kind de situatie accepteert, kan het een volwassen positie innemen ten opzichte van zijn ouders. „Een breuk betekent niet het einde van spanning of frustratie. Af en toe een kaartje en een kop thee met Kerst kost uiteindelijk soms minder energie.”

Hospes, zelf alternatief therapeut, kent die redeneringen. Maar er zijn mensen, zegt ze, die geen andere keuze hebben. Voor wie emotionele vrijheid niet haalbaar is, omdat contact met de ouders té pijnlijk is. „Ik was zelf midden twintig toen ik me realiseerde dat ik eraan onderdoor ging. Ik moest kiezen welk leven ik wilde leiden, dat van mijn moeder of dat van mij.”

En ze weet dat breken met je ouders geen tovermiddel is. Lang na het afscheid werd Hospes nog gekweld door schuldgevoelens en twijfel. „Ik ken niemand die die stap lichtvaardig heeft genomen. Daar gaat altijd een lijdensweg van jaren aan vooraf.”

Ten tijde van de breuk reageerde een therapeut op haar vergoelijking dat haar moeder „verder natuurlijk heel lief was”, met de opmerking: „Ze klínkt niet zo lief...” „Dat heeft veel inzicht gegeven.”

Ze is uiteindelijk opgebloeid door afstand te nemen, zegt ze. Net als veel mensen die ze sprak voor het boek. Sinds kort heeft ze weer contact met haar moeder. Sporadisch, en op haar voorwaarden. En zonder ooit te spreken over het decennium radiostilte. „Dat heeft toch geen zin.”