'Slechte' betaling van personeel zonder contract

Nederlanders met een tijdelijk contract krijgen verhoudingsgewijs slecht betaald. Bijna de helft (48 procent) van de werknemers met een tijdelijk contract verdient een laag salaris, afgezet tegen mensen in vaste dienst.

Daarmee scoort Nederland het slechtst van alle Europese landen. Dat blijkt uit onderzoek van Eurostat, het statistische bureau van de Europese Unie. Eurostat definieert ‘kleinverdieners’ als werknemers die minder dan tweederde van een modaal salaris verdienen – in Nederland is dat 10,20 euro per uur.

In Nederland zijn meer vrouwen (21,2 procent) dan mannen (15,2 procent) kleinverdiener met een tijdelijk contract. De grootste groep bestaat uit werknemers onder de dertig jaar.

Nederlandse werknemers met een vast contract hebben het beduidend beter; van hen is 15,3 procent een kleinverdiener. Dat percentage ligt iets onder het Europese gemiddelde van 15,7.

In november opende de FNV het zogenoemde ‘meldpunt kruimelcontracten’ omdat „steeds meer mensen te weinig werk hebben om van te kunnen leven”. Het meldpunt is bedoeld voor werknemers die zich uitgebuit voelen en hetzelfde werk hebben als een collega met een vast contract. De vakbond stelt dat oproepcontracten, nulurencontracten en contracten met een minimumaantal uren werknemers te veel onzekerheid geven over hun werktijden en beloning. Volgens een woordvoerder heeft de bond inmiddels honderden meldingen ontvangen. „Het komt echt in alle sectoren voor; van bibliotheken en de thuiszorg tot banken en in het onderwijs.”

Den Haag zinspeelt op actie. Eind vorige maand voerde het kabinet overleg over de arbeidsmarkt met werkgevers- en werknemersorganisaties. Volgens minister Asscher en staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid moeten vast en flexibel werk „in goed evenwicht” komen. „Flexwerk is van belang voor de dynamiek op de arbeidsmarkt, maar naar de mening van het kabinet moet worden voorkomen dat flexwerk verwordt tot een goedkoop alternatief voor werk dat door vaste werknemers kan worden gedaan”, schreven ze twee weken terug in een brief aan de Tweede Kamer.