Ook moderne mens klimt als chimpansee

Door een lange kuitspier kunnen sommige jagers-verzamelaars hun voet net zo ver buigen als chimpansees. Reuze handig bij het klimmen.

Ook moderne mensen kunnen prima in bomen klimmen. Hun enkelbewegingen zijn zelfs vergelijkbaar zelfs met chimpansees, als ze tenminste beschikken over een verlengde kuitspier. Een gewoon mens kan zijn voet met een hoek van 20 graden naar boven buigen, maar met een verlengde kuitspier kan dat tot meer dan 45 graden – normaal een garantie voor ernstige enkelschade. Chimps halen 50 graden.

Dit blijkt uit een onderzoek door drie antropologen naar klimgedrag en kuitspierlengte van jagers-verzamelaars in Afrika en de Filippijnen. Het wordt deze week online gepubliceerd in de Proceedings of the National Academy of Sciences.

Een chimpansee ontleent zijn klimvaardigheid óók aan zijn ‘slingerarmen’ – die mensen missen – maar dankzij hun buigzame enkels kunnen de Agta uit de Filipijnen en de Afrikaanse Twa net als chimps min of meer met handen en voeten tegen de boom oplopen. Hun enkels zelf verschillen niet van die van andere mensen. Het is niet duidelijk of de verlenging van hun kuitspier wordt veroorzaakt door een genmutatie of dat die te danken is aan training. Deze jagers klimmen van jongs af aan.

Het onderzoek is van belang voor kennis van de menselijke evolutie. Want altijd zijn over het klimvermogen van menselijke voorouder conclusies getrokken op basis van fossiele botten. Maar vreemd genoeg waren tot nu toe moderne mensen die óók routinematig klimmen nooit onderzocht. Prooidieren worden door deze jagers tot in de bomen achtervolgd (of opgewacht), maar heel vaak ook is honing het doel van de klimpartijen. Vooral Afrikaanse pygmeeën zijn van de zoete lekkernij afhankelijk. In het honingseizoen van drie maanden eten ze gemiddeld 800 gram honing per dag. Een derde van de jachttijd van mannen gaat op aan klimmen naar honing, tot wel vijftig meter hoog. Bijna zeven procent van de mannen sterft er dan ook door een val uit een boom: goed klimmen is extreem belangrijk.

De onderzochte volkeren zijn klein (pygmeeën, negrito’s) en dat kleine postuur helpt ook bij het verticaal klimmen – alleen al door het geringere gewicht. Tegenwoordig wordt de geringe lengte van dit soort volkeren verklaard uit een genetische mutatie die vooral van belang is voor een sterkere afweer (van levensbelang in de tropische bossen). De antropologen vermoeden dat het kleine postuur ook is ontstaan als aanpassing aan het vele klimmen.

Het staat buiten kijf dat de verre voorouders van de mens vrijwel permanent in de bomen leefden, zoals nog steeds de andere mensapen doen. Vanaf vijf à vier miljoen jaar geleden gingen mensachtigen (Ardipithecus, Australopithecus) steeds vaker op twee benen lopen. Er zijn veel wetenschappelijke twisten over de vraag in hoeverre die mensachtigen óók nog handig en vaak in de bomen klommen. Vanaf zo’n twee miljoen jaar geleden geldt de mens (Homo) als definitief rechtoplopend en totaal niet meer levend in de bomen. Al deze ontwikkelingen zijn terug te vinden in de evolutie van de menselijke voet. De grote teen werd steeds kleiner en verloor zijn grijpvermogen, de voet zelf kreeg steeds meer de boogvorm die zo goed de klappen van het lopen en rennen kan opvangen.

Het nieuwe onderzoek bestrijdt niet dat de mens steeds beter en vaker ging rechtoplopen. Maar de onderzoekers relativeren wel de grote conclusies over klimgedrag die zijn getrokken uit botmateriaal. Want zij tonen vrij eenvoudig aan dat je met een perfect aan rechtoplopen aangepaste voet tóch prima kunt klimmen, met een kleine wijziging in een spier – die niet terug is te vinden is in fossielen. Een gewricht is meer dan bot, schrijven ze: het is een complex systeem van been, pezen en spieren.