Kleinkinderen van doktor Freud

Oostenrijk lijkt er een patent op te hebben met regisseurs als Michael Haneke en Ulrich Seidl: felrealistische en confronterende cinema, die de kijker lang zal heugen.

Toen we eind vorig jaar nog dachten dat de wereld zou vergaan vroeg het Franse online filmmagazine Independencia een aantal filmcritici welke film uit 2012 ze voor de poorten van de hel weg wilden slepen. Als je maar één film uit 2012 zou kunnen redden van de nakende wereldondergang volgens de Mayakalender, welke zou het dan zijn?

De Mexicaanse filmmaker Michel Lipkes stelde Paradies: Glaube voor, het tweede deel van Ulrich Seidls Paradies-trilogie. De film beleefde in september op het Filmfestival Venetië zijn wereldpremière en zal op het komende filmfestival van Rotterdam voor het eerst in Nederland te zien zijn. „Mijn favoriete film over de Apocalyps”, lichtte hij toe.

Nu zal voor sommige atheïsten en ongetwijfeld ook voor sommige gelovigen Seidls nietsontziende portret van de godsdienstwaanzinnige Anna Maria beslist apocalyptisch zijn. Het is namelijk even confronterend gefilmd als de naar seks hunkerende vrouwenlichamen in zijn Paradies: Liebe dat vanaf deze week al in de filmtheaters te zien is.

Seidl is een regisseur die de confrontatie en de schok niet schuwt. Net zomin als zijn landgenoten Michael Haneke, Jessica Hausner (een leerling van beiden die een paar jaar geleden voor haar film Lourdes naar het gelijknamige bedevaartsoord trok), Michael Glawogger (zijn documentaire Whores’ Glory over religie en prostitutie was afgelopen jaar in Nederland te zien) of recentelijk Karl Markovich, wiens speelfilmdebuut Atmen over een jeugddelinquent op weg naar rehabilitatie nog steeds in enkele bioscopen draait. En dat zijn maar een paar van de meest recente voorbeelden van de felrealistische en verveloze cinema waar Oostenrijk de laatste jaren een patent op lijkt te hebben. Maatschappijkritisch, geëngageerd en niet te beroerd tegen een paar heilige huisjes aan te schoppen (en dat betreft in het katholieke Oostenrijk vaak religieuze en medisch-ethische kwesties, zoals ook in Hanekes Amour). En inderdaad, apocalyptisch. Vooral als je aan de Oostenrijkse documentaires over de spilzucht van de voedselindustrie denkt, zoals We Feed the World en Our Daily Bread.

Depri-Kino heten die films in de volksmond. Omdat het films zijn die de toeschouwer niet in slaap willen sussen en vermaken en verstrooien, maar juist de ogen openen voor de realiteit buiten die warme bioscoopzaal. En ja, die is nu eenmaal niet altijd even opwekkend, en vaker ronduit grauw, en precies: deprimerend. Maar dat wil niet per se zeggen dat de films deprimerend zijn. Ze zetten je aan het denken. Dat wel. Bijvoorbeeld over wat liefde is. Wat dat betreft mag het bijna geen toeval heten dat zowel Haneke als Seidl afgelopen jaar met een film kwam die ‘liefde’ heet en dat ze allebei de grenzen van de liefde opzochten. Haneke door te onderzoeken of echte onbaatzuchtige liefde bestaat, Seidl door te kijken of de zoektocht naar liefde zich laat vertalen in het vinden van betaalde seks. En nee, dat zijn vragen die in beide gevallen niet zo eenvoudig te beantwoorden zijn.

Dat nu juist Oostenrijkers met dit soort films komen is ook niet zo verwonderlijk. In de literatuur en het theater van Thomas Bernhard en Elfriede Jelinek kent het land een lange traditie van zelfhaat die nu eens humoristisch en dan weer boosaardig uitpakt. Acteur Markus Schleinzer kent als casting-director voor onder meer Haneke, Seidl en Hausner de Oostenrijkse filmwereld als geen ander. Toen hij twee jaar geleden zelf als regisseur debuteerde met het pedofielendrama Michael, waarin een man een tienjarig jongetje in zijn kelder gevangen houdt, vertelde hij dat de reden dat zoveel filmmakers in dat troebele collectieve onderbewuste van zijn land roeren, alles te maken heeft met het onverwerkte oorlogsverleden.

Alles waar men het niet over wil hebben is in kelders of achter de afgesloten deuren van pronkkamers vol gestolen oorlogsbuit weggestopt, aldus Schleinzer. Geen wonder dat de pus uit die verdrongen wonden nu zo langzamerhand naar buiten komt. Dat had die andere Oostenrijker, die toevallig ook de uitvinder van de psychoanalyse was, ze ook wel kunnen vertellen.