Kijk, een doorgesneden grasspriet van erg dichtbij

Nee, dit is geen behangpatroon. Het is een doorsnede van een grasspriet. De grassoort hiernaast (Eriachne ciliata) heeft de typische kenmerken waaraan zogeheten C4-planten zijn te herkennen. Deze planten, zoals mais, suikerriet en sorghum, komen vaak voor in een droog, zonnig en warm klimaat . C4-planten hebben een aangepaste manier om zonlicht en CO2 om te zetten in energie. Dat is terug te zien in de anatomie van de (opgerolde) bladeren. De cirkelvormige vaten, die voedingsstoffen transporteren, liggen relatief dicht bij elkaar. En de schedecellen rond de vaten (in de foto bruin) zijn groot.

Vorige week bracht PNAS de uitkomsten van een een anatomisch onderzoek aan 157 grassoorten. De internationale groep wetenschappers die het onderzoek uitvoerde kreeg hiermee meer inzicht in de evolutie van C4-planten. Grassen kun je indelen in twee grote families, Bep en Pacmad genaamd. Elke familie herbergt zo’n 5.000 soorten. Maar alleen binnen de familie Pacmad ontwikkelden soorten zich in de loop van de evolutie tot C4-plant, als het klimaat opwarmde. De onderzoekers hebben daarvoor nu een verklaring. Alleen de soorten binnen de familie Pacmad hadden de goeie uitgangspositie: vaten die al relatief dicht bij elkaar lagen en daaromheen grotere schedecellen.

    • Marcel aan de Brugh