‘Japan heeft nog steeds een zeker mysterie voor mij’

De grote Iraanse cineast Abbas Kiarostami maakte een film in Tokio. „Ik begon me te vervelen in mijn eigen land.”

Abbas Kiarostami

Vijftien jaar gelden won de Iraanse filmmaker Abbas Kiarostami de Gouden Palm van het filmfestival van Cannes met Taste of Cherry. „Ik kan me goed herinneren hoe gespannen en betrokken ik was toen de film hier in première ging”, vertelt Kiarostami, terug in Cannes met zijn nieuwe film Like Someone in Love. „Ik had gehoord dat in Cannes veel mensen wegliepen uit films. Ik was de hele tijd in de zaal aan het rondkijken, of er niet te veel mensen opstapten. Dat viel mee. Nu ben ik hier weer voor een première. En wat gebeurt er? Ik sukkel in slaap bij mijn eigen film. Ik heb erover nagedacht wat dat betekent. Wat zegt dat over mijn films en over mijn leven? Het maakt me triest dat we alles op den duur normaal gaan vinden. Alles wordt gewoon. Niet het werk zelf. Dat zal ik nooit saai vinden. Ik heb nog nooit zoveel gewerkt als nu. Maar wel alles eromheen, zoals een première in Cannes. Daarom moet mijn bevrediging vooral uit het werken zelf komen, en niet zozeer uit het resultaat.”

Like Someone in Love speelt zich af in Tokio en draait om de gecompliceerde ontmoeting tussen de escortgirl Akiko en haar oudere klant, de geleerde Takashi.

Komt het doordat het moeilijker is om in Iran in vrijheid te werken dat u steeds vaker naar het buitenland uitwijkt: naar Italië voor Copie Conforme, en nu Japan?

„Dat speelt een rol uiteraard. Maar dat is niet de enige reden. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik besef dat dat misschien niet eens de belangrijkste reden is. Het is ook gewoon zo dat ik me begon te vervelen met mezelf, en met verhalen over mijn eigen land. Ik ben een filmmaker met een internationaal publiek, dus waarom zou ik geen films kunnen maken in andere landen?”

Wat was het uitgangspunt van deze film? Het idee van toeval en toevallige ontmoetingen?

„Het vertrekpunt was meer een beeld, waar ik misschien al vijftien, twintig jaar mee rondloop. Ik was in Japan, in het zakendistrict van Tokio. Tussen al die zakenmannen in donkere pakken zag ik een heel jonge vrouw, die helemaal gekleed was in een soort witte bruidsjurk. Een vriend legde me uit dat ze waarschijnlijk een studente was die bijverdiende als escortdame. Dat beeld is me altijd bijgebleven, die witte jurk tussen de donkere pakken, maar is uiteindelijk niet in de film terecht gekomen, omdat deze vrouwen niet meer in die witte gewaden gekleed gaan.”

Wat voegt Japan voor u toe aan de film?

„Een bepaald mysterie, iets onbekends. Japan is nog steeds een mysterieuze cultuur voor buitenstaanders, waar die ook vandaan mogen komen. Dat maakt het voor de kijker ook gemakkelijker om een verhaal te accepteren waarin veel toevallige en onwaarschijnlijke dingen gebeuren.”

De eerste zin in de film is: ‘Ik lieg niet tegen je.’ Is film een vorm van liegen?

„Ja. Film bestaat altijd uit kunstmatigheid en leugens, maar we vertellen die leugens om dichter bij de waarheid te komen.”

Ben u geïnspireerd door Japanse cinema?

„Toen ik jong was, nog geen twintig, was ik diep onder de indruk van Yasujiro Ozu.”

In deze film, net als in Copie conforme, speelt kunst een belangrijke rol.

,,Ja. Het schilderij in deze film heeft een Japans onderwerp, maar is geschilderd in de westerse techniek. De scène waarin de personages daarover praten is voor mij bijna een manifest van wat kunst kan zijn. Aan de ene kant hebben we onze wortels in de traditie en het verleden, dat moet je erkennen en accepteren. Maar we kunnen ook verder kijken, omdat we als mensen voortdurend nieuwe dingen willen zien en ontdekken. We moeten niet alleen naar de grond kijken, want dan zien we alleen nog onze eigen voeten.”

Dat u nu veel in het buitenland werkt, roept in Iran naar verluidt ook de nodige weerstand op, alsof u de Iraanse cinema in de steek zou laten.

„Dat beschouw ik als onvermijdelijk. Een boeddhistisch spreekwoord zegt dat een wijs man niet in het licht gaat staan. Als je toch in het licht staat, roept dat onvermijdelijk weerstand op. Vooral toen ik twee jaar geleden Copie conforme had gemaakt met Juliette Binoche werd er gezegd dat ik nu mijn ziel had verkocht aan het Westen, dat ik al die films over arme mensen op het Iraanse platteland alleen maar had gemaakt om hogerop te komen en met Binoche te kunnen werken. Dat is misschien ook onbewust de reden dat ik nu voor onbekende acteurs en voor Japan heb gekozen, een land dat in de rest van de wereld ongeveer even onbekend is als mijn eigen land, en met een taal die weinig mensen begrijpen. Dat is bijna alsof ik wil laten zien dat ik helemaal niet bezig ben een ladder te beklimmen. Ik kom eerder van de ladder af. Dat doet me denken aan een gedicht dat ik ooit las: ik sta op een kruispunt, ik weet niet welke weg ik moet inslaan, de enige weg die ik zie, is de weg terug.”

    • Peter de Bruijn