De mens als offerdier

De waarheid van seks is de agressie waarmee de daad wordt voltrokken. Dat laat de nog altijd controversiële film Straw Dogs van Sam Peckinpah zien.

In de film Straw Dogs (Sam Peckinpah, 1971) zit een beruchte verkrachtingsscène. Berucht, niet alleen omdat hij expliciet is, maar omdat hij zo intiem is. Zo ziet een verkrachting er kennelijk uit als je verkracht wordt door een bekende, een ex, door iemand met wie je romantische avondjes hebt beleefd. Berucht ook omdat het soms niet meer duidelijk is of dit wel een verkrachting is: geniet de vrouw, Amy, gespeeld door Susan George, niet stiekem?

Vergeleken met de seks die ze met haar man, een briljante maar onhandige wiskundige (Dustin Hoffman), heeft moet de kijker wel concluderen: dit is beter, dit is echte seks; de waarheid van seks, lijkt Peckinpah te zeggen, is de agressie waarmee de daad wordt voltrokken.

Terwijl Charlie, de ex, althans dat vermoeden we, bij Amy binnendringt – Charlie wordt gefilmd alsof hij in een reclamespotje voor spijkerbroeken meespeelt, mannelijk en aantrekkelijk, hard en toch een beetje zacht, bereid om te doden en toch bekend met het fenomeen tederheid – zien wij, en het lijkt alsof Amy dat ook ziet, beelden van haar man, David Sumner, eenzaam in een veldje, wachtend op eenden. Sumner was met Charlie en enkele van zijn vrienden op eendenjacht gegaan. De intellectueel als gemankeerde jager.

Als Charlie klaar is, als hij nog in haar zit, begint Amy hem te strelen alsof het een gewoon liefdesspel is geweest. Ook dat zal deze scène berucht hebben gemaakt. De verkrachting was slechts de fantasie van de vrouw die vroeg of laat werkelijkheid moest worden.

Ik weet niet of dit seksistische perspectief Peckinpah en de film recht doen, maar er zit een onbehaaglijke dubbelzinnigheid in deze scène – de dubbelzinnigheid van het geweld dat misschien een spel is, en de dubbelzinnigheid van het geweld dat misschien genot is, onbehaaglijk omdat niet alleen de dader geniet, maar ook het slachtoffer. Peckinpah laat lang in het midden wat de positie van de vrouw in dezen is.

Terwijl Amy tegen haar verkrachter ‘houd me vast’ zegt, lukt het David Sumner eindelijk zijn eerste eend te schieten. Hij pakt de eend even op, maar besluit al snel hem te laten liggen, hij walgt van de dode eend. Hij veegt zijn bebloede hand af aan zijn trui.

Niet alleen Charlie blijkt op het idee te zijn gekomen om terwijl de anderen de jacht voortzetten Amy met een bezoekje te vereren. Een andere jager, tevens vriend van Charlie en helper bij het renoveren van de schuur van de Sumners, Norman, is ook het huis binnengedrongen.

Norman ziet Charlie op Amy liggen en richt zijn geweer op Charlie.

Hier wordt de verkrachting ondubbelzinnig. Vernedering is het doel, genot de bijzaak. Terwijl Charlie Amy op de bank gedrukt houdt neemt Norman haar. Tussendoor zien we hoe David het veld verlaat, de eendenjacht is voorbij.

Hoewel David niet weet wat ze met zijn vrouw hebben gedaan ontslaat hij Charlie en de andere bouwvakkers die waren aangesteld om de ouderlijke woning van Amy te renoveren. David Sumner is eindelijk tot handelen overgegaan, hij is volgens Peckinpahs logica een man aan het worden.

Tijdens een bijeenkomst in de kerk, waar alle dorpelingen bij aanwezig zijn – ook de Sumners moeten aanwezig zijn, want de vreemdeling dient zijn best te doen om te integreren – wordt een zwakbegaafde dorpsbewoner en zedendelinquent, John Niles, verleid door een pubermeisje dat we al in de eerste scène tegenkwamen. Geschrokken, en uit angst dat de zaak openbaar zal worden gemaakt, wurgt Niles haar.

De Sumners hadden de kerk voortijdig verlaten. Amy was onwel geworden, want de werklui waren ook in de kerk en voortdurend zag ze flarden van de verkrachting voor zich. In haar hoofd speelde zich een film af die ze niet kon uitzetten. Haar man weet nog steeds niets, hij weet alleen dat ze onwel is.

Ze rijden naar huis. Vanwege de mist ziet David niet dat John Niles in verwarring op de weg loopt, hij rijdt hem aan, waarop ze hem meenemen naar huis.

De vader van het gewurgde meisje, Tom Hedden, gespeeld door Peter Vaughan, is inmiddels op zoek gegaan naar zijn dochter. Hedden weet bij wie hij moet zoeken: John Niles.

David Sumner heeft naar de dorpskroeg gebeld omdat hij een dokter nodig heeft voor de gewonde John Niles, en wat de barkeeper van de dorpskroeg weet, weet het hele dorp. Onder aanvoering van de vader van het meisje, een alcoholist die het fysieke geweld als een onmisbaar onderdeel van het leven beschouwt, komen de bouwvakkers John Niles halen.

Maar David Sumner beschermt, vermoedelijk voor het eerst in zijn leven, zijn bezit. Niet zijn vrouw, maar zijn gast, die nota bene Amy probeert aan te randen – zo erg is Niles er kennelijk ook weer niet aan toe na het ongeluk – en zijn huis.

Amy wil dat haar man John Niles uitlevert aan de mannen die buiten staan, maar David weigert. Hij trotseert zijn vrouw, hij is bereid fysiek geweld tegen haar te gebruiken, zoals hij bereid is geweld te gebruiken tegen de mannen die zijn huis hebben omsingeld. Met behulp van hete olie, wapens – aan de muur hangen wapens, zoals alle mannelijke dorpelingen was ook Amy’s vader een jager – gereedschap, ijzerdraad, en een klem die gebruikt wordt om stropers te vangen.

In een beslissend moment zegt David Sumner tegen zijn vrouw dat de mannen buiten John Niles zullen doodslaan en Amy antwoordt: „Het kan me niets schelen.”

„Het kan je echt niets schelen, hè?” vraagt David.

De blik die hij op haar werpt is cruciaal. David begrijpt wie zijn vrouw is, en daardoor ziet hij eindelijk ook in hoe de gemeenschap is waaruit ze is voortgekomen.

Als hij zijn vrouw trotseert doet hij dat niet eens zozeer om morele redenen, omdat hij weigert een pedofiel dood te laten slaan door kwaadaardige dorpelingen, als wel omdat hijzelf geen offerdier (zie kader ‘Strohonden’) wil zijn.

„I got ’em all”, zegt David Sumner op het einde en het is onduidelijk of hij trots is of verbijsterd. Misschien allebei tegelijk.

Dustin Hoffman speelt Sumner als een man die een oerkracht in hemzelf ontdekt, waarbij het de vraag is of hij, nu hij die oerkracht heeft ontdekt, nog terug kan naar de wiskunde.

De film eindigt ermee dat Sumner John Niles terugbrengt naar het dorp. Ze rijden door het donker, de mist is nog altijd niet helemaal opgetrokken.

„Ik weet de weg naar huis niet”, zegt John Niles opeens.

„Ik ook niet”, antwoordt David Sumner. Hij lacht terwijl hij dat zegt, sardonisch en ironisch tegelijkertijd, een lach die suggereert dat hij uiteindelijk meer heeft gewonnen dan verloren, nu hij het doden heeft geleerd.

Peckinpah suggereert dat de man niet door ‘beschaafde’ middelen als kunst en wetenschap concurreert met de goden maar door middel van geweld, want uiteindelijk is dat de enige taal die de harteloze goden verstaan.

Dit is een voorpublicatie (ingekort) van het essay over Straw Dogs in Arnon Grunbergs nieuwe filmessaybundel Buster Keaton lacht nooit (Nijgh & Van Ditmar, februari).