Column

De geest van Keynes zweeft 2013 in

Dat het maar een mooi jaar mag worden, hoewel dat voor sommigen anders zal uitpakken. In 2013 zal, volgens de jongste raming van het Centraal Planbureau, de werkloosheid oplopen van 5,25 procent naar 6 procent van de beroepsbevolking. Uitgedrukt in aantallen mensen komt dat uit op een stijging van 55.000.

Werkloosheid geeft een dramatische wending aan iemands leven. Het geeft ook een forse val in inkomen. Alleen al de dreiging heeft een negatief effect op het consumentenvertrouwen en de consumptieve bestedingen.

Dat wordt nog erger. In het regeerakkoord wordt de werkloosheidsregeling danig versoberd. Het eerste jaar blijft de werkloosheidsuitkering wat hij was (bij voldoende arbeidsverleden). Daarna zakt hij in wezen een jaar lang tot bijstandsniveau. Daarna volgt de bijstand zelf. Dat is best hard. En is het macro-economisch wel verstandig? Dat ligt eraan of je het principieel bekijkt of pragmatisch. In het eerste geval is er een lans te breken voor een flexibelere arbeidsmarkt. Een versoberde regeling dwingt mensen eerder te kijken naar een breder palet van nieuwe banen. Het scheelt bovendien sociale premies, drukt zo de bruto arbeidskosten en verhoogt de productiviteit. De doorstroming op de arbeidsmarkt wordt er beter van.

De vraag is wel of dit het juiste moment is voor dergelijke maatregelen. Naarmate de recessie langer duurt wordt het voor mensen lastiger om een andere baan te vinden. Er bereiken ook steeds meer werklozen de grenzen van het huidige systeem: zij vallen in de bijstand. Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte er vorige maand gewag van dat het aantal werklozen veel sneller stijgt dan het aantal werkloosheidsuitkeringen. Juist nu het huidige vangnet al zijn grenzen bereikt, wordt het vervangen door een kleinere versie.

En dan is er nog het grotere perspectief: voor zo ver het kabinet al een groeistrategie heeft, is die vrijwel volledig afhankelijk van de buitenlandse vraag. Nu is het de vraag in hoeverre het stimuleren van de binnenlandse bestedingen – of in dit geval het min of meer handhaven daarvan – invloed heeft op de Nederlandse economische groei. Daarover brak de afgelopen dagen een interessante woordenwisseling uit tussen twee bekende economen. De inzet daarvan is in hoeverre Nederlandse consumptieve bestedingen weglekken naar het buitenland. Want is niet het grootste deel van wat wij consumeren, en dus het grootste deel van wat wij méér consumeren, import? Zoveel van wat we opmaken maken we zelf niet meer.

Bas Jacobs reageerde op aanvankelijke import-uitspraken in die richting van zijn collega Sweder van Wijnbergen door eens flink te gaan rekenen. Hij calculeerde dat een veel lager percentage dan gedacht weg lekt: slechts 28 procent. Van Wijnbergen sloeg daarna terug met de stelling dat het juist minstens 60 procent is. De discussie is te volgen op de website economie.nl.

Dit lijkt een debatje op de vierkante centimeter, maar dat is het niet. Uiteindelijk komt het uit op het grote thema van 2012: hoe groot is de zogenoemde multiplier? In simpele bewoordingen: kost het stimuleren van de economie netto geld, of levert het via het aanjagen van de economische groei, juist geld op?

Dat blijft ook in 2013 een van de belangrijkste discussiepunten, zeker in Nederland. Heeft het zin om hier een expansief beleid te voeren als de economie zo open is (en klein ook) dat het niet uitmaakt of zelfs ten nadele werkt? Of is er wel degelijk een wetenschappelijk fundament voor stimuleren, of in het huidige geval, minder bezuinigen?

De discussie kan terugkomen bij tal van maatregelen, waar je hem aanvankelijk niet zou verwachten. Het door het kabinet voorgenomen nieuwe werkloosheidsbeleid is er slechts één van. To Keynes or not to Keynes. Verwacht verhitte gemoederen. Zeker als de recessie nog langer gaat duren.

De redacteuren Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze wisselcolumn over economische ontwikkelingen.