Westerse vrijheid is als een minirok uit de 'Elle'

Maartje Laterveer: De mooiste kleur die niet bestaat. Meulenhoff, 223 blz. € 18,95.

‘Ossies kijken’: het is kort na de val van de Muur nog een tijdje populair geweest onder West-Europeanen. Een dag of wat naar Berlijn afreizen om daar het gedrag van de ‘bevrijde’ Oost-Berlijners te observeren. Zouden ze nog in hun Trabantjes rondrijden? Lachen ze vaker? Op zulke vragen hoopt de Amsterdamse journaliste Julia Günzburg een antwoord te krijgen wanneer ze een klein jaar na de val van de Muur in Berlijn arriveert. Ze ontvluchtte Oost-Berlijn ooit en ze is dus de persoon bij uitstek om verslag te doen van de veranderingen. Het stuk moet haar journalistieke doorbraak worden. Of zoals haar hoofdredacteur het verwoordt: ‘By God, Günzburg, ik geef je een spread in de opiniebijlage. Een kans. Zorg in godsnaam dat ik er geen spijt van krijg.’

In Berlijn dringt zich echter een verhaal aan Julia op dat niet in een journalistiek genre valt te vatten. Hoe is het bijvoorbeeld toch mogelijk dat indertijd haar geliefde niet ook de wijk nam naar de westkant? En wie of wat is daarvoor verantwoordelijk? Een thrillerachtig ‘verhaal’ dus, maar Laterveer biedt gelukkig meer. Haar roman wordt interessanter wanneer ze speelt met de vraag hoe iets verteld kan worden, uiteindelijk toch een prijzenswaardige onderneming binnen de literatuur.

Een slim hulpmiddel hierbij is Julia’s vader, een literatuurwetenschapper die ooit het gezin in Oost-Berlijn verliet en in West-Berlijn een nieuw bestaan opbouwde. Laterveer laat deze man, of liever gezegd de boeken die de man leest, de toon bepalen van het hoofdstuk in kwestie. Is hij verdiept in Proust, dan buitelen in Julia’s hoofd de herinneringen over elkaar heen. Leest hij Kundera, dan wordt het hoofdstuk ingekleurd met de paranoia van de Oostblokburger. Intelligent.

Nieuwe enthousiaste uitroeptekens in de kantlijn ontstaan waar Julia’s vlucht naar West Berlijn wordt gememoreerd. Margot, de nieuwe vrouw van Julia’s vader, leidt haar door het heilige deel van het huis, de bibliotheek. Margot schotelt Julia ironisch genoeg geen gekafte vrijdenkers voor, maar opent een kast met een paar jaargangen van het modeblad Elle. In die stapel is – het zijn de late jaren zeventig – volgens Margot ‘veertien jaren emancipatie’ te vinden. De vrijheid van het Westen, zo valt hier voorzichtig uit te destilleren, is de vrijheid van de minirok, niet de vrijheid van de geest.

Aan het criterium dat de schrijver van een goed boek altijd een stap voor ligt op de lezer is dan voldaan. Zakt De mooiste kleur die niet bestaat daarna als een pudding in elkaar? Nee, dat is te zwaar gesteld, want de roman blijft een bovengemiddeld debuut, maar de scherpe intellectuele kantjes zijn er dan wel af.

De laatste helft is nog steeds goed geschreven en goed gedocumenteerd, maar minder uitdagend dan de eerste. Desondanks: mooie eerste poging.

    • Sebastiaan Kort