Open brief aan schrijfster Vijftig tinten grijs – het jaar van het plofboek

Door het stomende succes van de Vijftig tinten-reeks van E.L. James is de Nederlandse lezer sinds dit jaar handen-boven-de-dekenslezer af. En in 2013 zijn meer ‘steamies’ op komst. Maar het jaar van het ‘plofboek’ kende ook haar zegeningen, schrijft Arjen Fortuin in een open brief aan E.L. James.

Eigenlijk weet ik niet eens hoe u precies heet. Zou het Ellie zijn, naar de oermoeder van de beroemdste dramafamilie ooit? Of Emma, zoals die andere vrouw die de loop van de literatuurgeschiedenis heeft verlegd? Of is het gewoon Eve, naar de vrouw met wie het allemaal begonnen is?

Hoe dan ook: u heeft ons veranderd, ons lezen en daarmee ons leven. Wij zijn niet langer Hollandse handen-boven-de-dekenslezers, wij laten nu onze pootjes zonder genade aan de spijlen van ons ledikant vastketenen en wachten af wat u voor ons in petto heeft.

Laten we er geen doekjes om winden: u bent de vrouw van twee miljoen. Wij, de Nederlandse lezers, verhouden ons tot u als een trillende studente tot een onaanraakbare multimiljonair. U mag alles met ons doen, het is niet erg als het pijn doet. Lezen gaat van au. Als u ons maar niet verlaat.

Want, ook daarover geen misverstand, het lezen van uw oeuvre is in de eerste plaats een daad van masochisme. Uw zinnen laten striemen achter op onze ruggen. Om uw eigen contract uit Vijftig tinten grijs te parafraseren: wij zijn bereid ons esthetisch oordeelsvermogen te laten lijden tot negen op een schaal van een tot tien. Wij onderwerpen ons aan u, zoals we toch al dagelijks buigen voor de economische crisis. Ach! Wisten we maar zeker dat dat spartaanse regeerakkoord ons uiteindelijk evenveel zinderend genot zou geven als uw boeken dat doen.

Pardon, ik dwaal af. Meer nog dan ons, lezers, heeft u onze boekenbranche het hoofd op hol gebracht. Voor u in uw vijftigvuldigheid over ons werd uitgestort waren de boekhandels – en zeker hun kassa’s – woest en ledig. En hoewel de vruchten van uw succes eenzijdig in de zakken van één enkele uitgever belandden (Mai Spijkers van uitgeverij Prometheus noemen wij nu ‘De poenschepper’), hebben ook anderen de geest gekregen. Zij grijpen de erotica als laatste strohalm, of om in de sfeer te blijven: zij ketenen zich eraan vast. De gedachte dat het mogelijk is dat een populaire televisiezender zich een maand lang wijdt aan een boek (de Ik-houd-van-vijftig-tinten-grijs-maand op het onvervangbare Net 5) heeft een onvermoede hitsigheid in ze losgemaakt.

Zij weten ook wel dat u de kip bent én het ei, maar proberen met hun plofboeken toch nog een stukje van de markt te veroveren. Plofboeken: boeken waar amper iets instaat, maar die op industriële wijze worden opgepompt tot ze het formaat van een echt boek hebben. En pompen doen de uitgevers sinds uw zinderende zegetocht alleen nog maar met seks. Ook een oorspronkelijk keihard mannengenre als de voetballersbiografie is een aaneenschakeling van seksscènes. Leest u Geen genade maar, het boek van oud-profvoetballer Andy van der Meijde – de titel die Vijftig tinten grijs vorige week dan eindelijk heeft verdrongen als best verkopende boek van Nederland. Een lijst waarin verder nog Sylvia Day staat (Crossfire. Verslaafd aan jou, deel 1 en 2) en Negentig dagen Genevieve van Lucinda Carrington.

En er komen nog kratten vol plofboeken aan, zoals De wandelhoer van Iny Lorentz, dat bij het openslaan op pagina 189 nog redelijk kuis is (‘Eén keer had ze zich zelfs ingelaten met de monnik Jodokus, hoewel hij niet bijzonder aangenaam rook en haar ook slechts een paar Haller pfennig voor haar diensten had geboden’). Of pagina 143 van Als ik jou was van Lisa Renee Jones: ‘De schaamteloze woorden golven door mijn lichaam en ik ben meteen opgewonden. Ik druk mijn dijen tegen elkaar aan. Hij wilde me vanaf het allereerste moment neuken.’

Dat zijn nog maar de boeken voor volwassenen. Want de strijd tegen de ontlezing onder pubers wordt met dezelfde wapens gevestreden. The Independent meldde al ‘The rise of steamies’: hoe de Engelse en Amerikaanse uitgevers zich storten op de jongerenerotiek, volgens de uitgevers ‘escapist romances, featuring young women, the same age as the readers, exploring their first sexual desires and their first sexual experiences’. Het boek dat steamy-pionier Liz Bankes zelf had willen lezen toen ze zestien was.

In Nederland begint uitgeverij Querido (het huis van serene grootheden als Lieske, Rosenboom en Gerrit Krol) ook al op stoom te komen. Daar verschijnt Make love, de internationale bestseller over liefde in tijden van pornografie – volgens Die Welt ‘vast en zeker het eerste echt coole sekseducatieboek voor jonge mensen.’ Nu weet ik niet of u Die Welt hoog aanslaat als autoriteit op het gebied van coolness, seks of kinderkamers – maar goed. De foto’s in de folder van Make love zijn steamy genoeg.

Zo bezien is het opmerkelijk dat Een goede raad, de nieuwe roman van J.K. Rowling als roman ‘voor volwassenen’ op de markt werd gebracht – en prompt bekritiseerd omdat de slechteriken zich in het boek niet schuldig maken aan Verboden Vloeken, maar aan drugs en verkrachting – meer dan Rowlingvolwassenen konden verdragen, althans volgens de niet altijd even volgroeide Engelse pers.

U denkt natuurlijk, lieve Ellie, dat ik dit allemaal als een cultuurpessimistische hyperbool bedoel. Dat ik u eigenlijk het succes misgun. Dat al mijn luid uitgeschreeuwde liefde ironie is. Er is immers, u leest Boekblad vast ook, materiaal genoeg voor een klaagzang: de ondergang van de grootste boekhandelsketen van Nederland, een algemene omzetdaling van een procent of tien, fuserende en krimpende uitgevers, P.C. Hooftprijswinnaars die hun manuscripten niet meer gepubliceerd krijgen en adding insult to injury, wéér geen Nobelprijs voor Cees Nooteboom.

Om nog maar te zwijgen van de schrijvers die dit jaar in de Eeuwige Boekenkasten werden bijgezet. De ijdeltuiten werden gespaard, de klappen vielen elders. gerrit4-980x735Met Willem G. van Maanen, Doeschka Meijsing, Nanne Tepper, Bernlef en Rutger Kopland verdwenen grote auteurs van wie het werk altijd prominenter bleef dan de persoon.

En dan ging Gerrit Komrij ook nog dood, de man dankzij wie de hele hemel nu al een halfjaar verslingerd is aan middeleeuwse poëzie. Het overlijden van Komrij legde meteen nog een aspect van de boekencrisis bloot, want bij de veiling van zijn nalatenschap bleek dat de markt voor antiquarische boeken verzadigd is: boekenbezitters sterven sneller dan er boekenkopers bijkomen. Musea hebben geen budget meer om de vraag te stimuleren.

Nee, mevrouw James, het goede nieuws is anders. Want de economische kaalslag is in 2012 samengevallen met een verrassend goed boekenjaar. En dan niet wegens de zaken die we ver van tevoren zagen aankomen. Natuurlijk schreef Arnon Grunberg een heel erg goede roman en Leon de Winter een heel erg ijdele. Uiteraard publiceerde Thomas Rosenboom een boek dat niet slecht was – want Rosenboom kan nu eenmaal geen slechte boeken schrijven – maar, nu ja, ook weer niet heel goed. En Geert Mak leest even prettig als hij door Amerika trekt als toen hij dat in Europa deed. Het gaat al helemaal niet om de allervoorspelbaarste aller twisten: de Oek Wars. Al voor verschijning van Pier en oceaan stelden de voor- en tegenstanders zich in twee groepen op en ook na verschijning speelde iedereen met verve zijn rol. De hysterische Oekofiel versus de Oekscepticus in de kritische overdrive.

Maar niet het hele literaire jaar was een invuloefening. Terwijl Marcel Möring zich in deze krant beklaagde over de alomtegenwoordigheid van de doodsaaie well made novel, de romans die haken naar het welbevinden van de grootste gemene deler van de Nederlandse alfabeten, verscheen het ene bijzondere boek na het andere. Het leek wel, lieve Emma, of uw monopolie op de verkoop de Nederlandse schrijvers van een last had bevrijd. Alsof ze dachten: de tijd van bestsellers is voorbij, het kan mijn uitgever ook niks meer schelen hoeveel ik verkoop, dus doe ik lekker wat ik zelf wil. Ze maakten boeken waar je de disclaimer ‘brengt uw verkoopcijfers ernstige schade toe’ op zou kunnen plakken. Zo werd het jaar van het plofboek óók het jaar van het onvoorspelbare scharrelboek.

Neem Tim Krabbé: een schrijver met een grote schare liefhebbers die gewend zijn aan piekfijne, plotgestuurde, korte romans. Boeken waar de schrijver zelf nooit veel woorden aan vuil wil maken, hooguit dat een schrijver gewoon ernstig aan het werk moet gaan – en dat als je dan voldoende diepte hebt, dat vanzelf in die boeken terecht komt. Dat gold zeker voor zijn dit voorjaar verschenen volstrekt monomane Wij zijn maar wij zijn niet geschift waarin Tim Krabbé zich onderdompelde in de schietpartij in Columbine en daar met literaire middelen plotseling nog een nieuw licht op wist te werpen. Zijn boek gaat niet zozeer over de gekte van de twee schutters, maar vooral over hoe ze alleen samen tot hun daad konden overgaan. Het is literaire non-fictie – niet als zouteloos etiket, maar als waarachtig literair genre. Niet het boek dat je van de doorgewinterde fictieschrijver Krabbé zou verwachten – de kopers lieten het dan ook links liggen.

Maar Krabbé was niet de enige. Tommy Wieringa, die in het verleden wel eens vatbaar leek voor de verleiding om zijn publiek te pleasen, kwam met een roman waarin hij zich vastbeet in de vraag naar de oorsprong van religie – met het fascinerende Dit zijn de dagen als resultaat. Manon Uphoff bewees dat ze de roep om romans heel goed kon weerstaan en publiceerde een flinterdunne, maar prachtige novelle: De ochtend valt.

Daarbij komen dan nog de schrijvers die nooit normale boeken schrijven: A.H.J. Dautzenbergs bejubelde Extra tijd, Rob van Essens Alles komt goed, Adam Seconde van Jacob Groot, In de schaduw van toekomstige rampen van Max Niematz en De wezenlozen, het bizarre debuut van Wytske Versteeg. Martin Michael Driessen schreef de daverende roman Vader van God en Anton Valens verhief de postvrezer tot literair archetype in Het boek Ont.

Ik zou u wel een hele volle doos – met boeken – willen sturen! Peter Terrin kreeg voor Post Mortem de AKO-prijs die hij al voor De bewaker had moeten krijgen. Belangrijker is dat hij bewees dat een boek over de ernstige ziekte van een kind niet louter hoeft te leunen op de ontroering die een hartverscheurend onderwerp met zich meebrengt. Het kan ook echte fictie zijn – zoekend naar de macht en stuitend op de onmacht van de verbeelding.

Lieve Eve, zo hebben wij hier een literair jaar gehad met misschien geen vijftig, maar dan toch in elk geval vijftien romans waarin de grijstinten ver te zoeken zijn. Je zou het zo kunnen zien: eerst leed de Nederlandse literatuur aan eenvormigheid, toen aan depressieve onderdanigheid aan de commerciële verwachtingen van de branche – en nu heeft hij zich bevrijd. U kent het schema als geen ander. Eerst Vijftig tinten grijs, dan Vijftig tinten donkerder en tenslotte Vijftig tinten vrij! We willen u dus vanuit de grond van ons hart bedanken voor de loutering die u ons heeft gebracht.

Maar maakt u dan nu, please, die boeien weer los?

    • Arjen Fortuin