met Christine Lagarde onderweg naar Brussel

Eén verhaal van 2013 gaat in de wandelgangen van Brussel wel heel hardnekkig rond: Christine Lagarde, de baas van het Internationaal Monetair Fonds, zou terug willen naar Europa. Niet meteen, want de voormalige Franse minister van Financiën leidt het IMF pas sinds 2011. Aangezien ze de laatste Europeaan kan zijn aan de top van deze naoorlogse organisatie, en Europese landen haar vorig jaar massaal steunden voor deze baan, kan ze moeilijk nu al afhaken.

Maar ingewijden zeggen dat Lagarde (1956) niet gelukkig is in Washington en „al nadenkt over een Europese baan waarvoor ze kan voorsorteren”. In 2014 komt de post van José Manuel Barroso vrij, de voorzitter van de Europese Commissie. Of, mocht het euronoodfonds ESM uitgroeien tot echt Europees Monetair Fonds : wie is beter geplaatst dan Lagarde?

Er wordt bij de verdeling van Europese topbanen naar vrouwelijke kandidaten gezocht, want overal zitten nu mannen. Het Europees Parlement heeft daar zo genoeg van, dat het laatst weigerde de Luxemburger Yves Mersch als directielid bij de ECB te benoemen. Regeringsleiders benoemden hem toch. Maar ze moesten schriftelijk beloven dat ze meer vrouwen aannemen. Dit kan Lagarde, een voormalig zwemkampioene wier familie in Frankrijk woont, goed uitkomen.

Het IMF wordt eigenlijk gerund door de Amerikaanse nummer twee: David Lipton. Anders dan Lagarde, jurist, is Lipton een gerenommeerd econoom. Lagarde is meer manager, en het gezicht naar buiten. Zij is de diplomate, die vaak harde saneringsboodschappen uitdraagt naar premiers en presidenten. En zij moet het geld binnenhalen.

Nu het IMF langzaam wegdrijft van Europa, brengt deze positie haar soms in het nauw. Onder haar voorganger Dominique Strauss-Kahn ging de organisatie een sleutelrol spelen in de eurocrisis. Het IMF verstrekt eenderde van de leningen aan Griekenland, Portugal en Ierland. Brazilië, China en andere opkomende economieën vonden hem niet streng genoeg voor de ‘rijke’ Europeanen, en dreigden de geldkraan dicht te draaien. Na zijn abrupte vertrek in mei 2011 kon Lagarde hem alleen opvolgen als ze beloofde harder te zijn.

Ze ís harder: ze maant Europa om banken meer kapitaal te geven, en op te passen met te véél begrotingsdiscipline. Dat vinden de Europeanen vervelend. Maar zijzelf ook. Ze heeft de crisis drie jaar als minister intens meegemaakt. Ze smeedde nauwe banden met hoofdrolspelers als Angela Merkel, Jean-Claude Juncker en Wolfgang Schäuble.

Anders dan veel macro-economen in Washington reduceert Lagarde de problemen in de eurozone niet tot kille statistieken. Zij begrijpt dat dit een zéér politieke crisis is. Toen het IMF laatst botste met eurolanden over de houdbaarheid van de Griekse schuld in 2020, stond zij in een spagaat. „Ze moest keihard zijn voor eurolanden. Clashte openlijk met Juncker. Dat ging haar aan het hart”, zegt een betrokkene. Als Lagarde haar toekomst in Europa ziet, kan ze Europese leiders – en zeker de Duitsers, die haar nu goedgezind zijn – beter te vriend houden.

Om Barroso op te volgen, zou ze in 2013 kandidaat moeten worden voor de Europese conservatieven – want elke Europese politieke familie is, voor het eerst, van plan met één kandidaat te komen. Er zijn andere gegadigden: de Poolse premier Donald Tusk, die goed ligt bij de conservatieven. Viviane Reding, de machtige Luxemburgse eurocommissaris, zou eveneens interesse hebben. En dan nog: zou de socialistische regering in Frankrijk Lagarde steunen, product van het tijdperk-Sarkozy?

De baan van Barroso is dus nog lang niet binnen voor de Française. Maar dat stopt de geruchten geenszins. Ze is een capabele hoofdrolspeler in de eurocrisis. En: ze is een vrouw.

Caroline de Gruyter, Brussel