Gekoesterde brieven

In de nasleep van de dood van Hugo Claus heb ik een aantal brieven en e-mails ontvangen waarvan de inhoud, laten we beschaafd blijven, niet prettig was. Een ervan was een uitroep van woede en rouw, uitgelokt door mijn terechtwijzing van de toenmalige aartsbisschop van Mechelen, die op omfloerst-katholieke wijze kritiek had geuit op Hugo’s beslissing om door euthanasie het leven achter zich te laten voor alzheimer de kans zou krijgen zijn geest helemaal te vertroebelen.

De brief was met de hand geschreven, de afzender was een ongehuwde oudere boerenzoon die zijn moeder, die ook aan alzheimer had geleden, thuis had verzorgd tot ze aan de ziekte was bezweken. De man vatte Hugo’s beslissing en mijn verontwaardiging over de kardinaal diep kwetsend op. Uit elke zin droop een onpeilbare pijn en een rauw verlies weg. De afzender sloot af met de melding dat ik het niet waard was zijn naam te kennen.

Ik probeer me hem soms voor te stellen, ergens moederziel alleen in een hoeve in de buurt van Groot-Bijgaarden bij Brussel (waar de brief was afgestempeld), onder de neonlamp in zijn keuken met zicht op een leeg achtererf verscholen in de heuvels van het Pajottenland. Ik kon zijn kwade en gepijnigde gesnuif bijna horen, alsof een spoor ervan in de envelop was terechtgekomen.

We zijn nu bijna vijf jaar verder. Ik had die man graag een antwoord kunnen toesturen. Dat ik hem begrijp. Dat zijn zorg voor zijn moeder hem tot eer strekt, net als die van Claus’ dierbaren voor hun geliefde. En dat ik met hem meeleef.

Het is de enige anonieme brief die ik ooit ontvangen heb.

    • Erwin Mortier