Essay Bas Heijne

Achter het onbegrip tussen Nederland en de wereld gaat een diepe culturele crisis schuil. Bas Heijne ziet de spanningen in 2013 toenemen.

Begrijpt de wereld Nederland nog wel? Deze maand nam ik deel aan een discussie over Zwarte Piet in het programma The Stream, wereldwijd uitgezonden door de Engelstalige dependance van Al Jazeera. De makers bleken uitstekend op de hoogte van het fenomeen Sinterklaas en de recente controverse over het racistische gehalte van Zwarte Piet; maar die kennis maakte hun begrip niet veel groter. Door de vragen van anchorwoman Lisa Fletcher klonk bevreemding door over de Nederlandse onwil om Zwarte Piet zelfs maar ter discussie te stellen, zeker naar buiten toe – buitenlanders, was de toon van veel reacties op internet, begrepen gewoon niet dat Piet onderdeel was van onze cultuur. Afblijven – met de verfoeide ‘blackface’ had hij niks te maken, laat staan met expliciet racisme.

Was het een misverstand of was het moedwil? Ging het enkel om een kwestie van culturele afstand – met andere woorden, werd er met vooral Amerikaanse ogen naar een Nederlands fenomeen gekeken, waardoor associaties met blackface en racisme onvermijdelijk werden? Of botsten hier twee fundamenteel verschillende opvattingen met elkaar – de ‘verlichte’ overtuiging dat raciale stereotypen in een pluriforme wereld niet langer getolereerd kunnen worden, wat in Nederland vooral beschouwd wordt als een aanslag op culturele eigenheid? In de ogen van de felle verdedigers van Zwarte Piet zou erkenning dat hij eigenlijk niet meer van deze tijd is allesbehalve een verbetering betekenen. Het zou een afgedwongen concessie zijn, een dictaat. Er werd je iets eigens afgenomen door vreemden, uit naam van een abstract principe.

Zwarte Piet is maar een voorbeeld van de spanning tussen Nederland en de ‘grote wereld’. Toen de Amsterdamse VVD-wethouder Eric van der Burg vorige week opperde om, zoals in veel andere landen, voortaan alleen Eerste Kerstdag nog te vieren, en iedereen zelf te laten beslissen wanneer hij die tweede vrije dag opnam, werd hij het doelwit van scheldkanonnades. De site van De Telegraaf noemde hem een „VVD-hotemetoot”. Via Twitter gaf Van der Burg een laconieke bloemlezing uit de reacties: „Je bent ziek, een NSB-er, landverrader, homo, gestoord, lul, racistisch, ze moeten jou afschaffen.” Kortom, liet hij weten: „niet iedereen is het met mij eens”.

Zwarte Piet, Tweede Kerstdag, het lijkt klein bier, maar des te opvallender is hoe heftig de emoties zijn. Veel in het Nederland van de afgelopen tien jaar – dacht ik na die uitzending van Al Jazeera English – is niet goed uit te leggen in het buitenland. Pim Fortuyn bleek niet goed uit te leggen, Theo van Gogh niet („but ‘goatfuckers’ is not really meant as an insult”) – en Geert Wilders niet. De sjablonen die in het buitenland klaarlagen om de Hollandse fenomenen te duiden – extreemrechts populisme, fascisme, vreemdelingenhaat, vernederende hatespeak – werden hier verontwaardigd van de hand gewezen.

Wil Nederland de wereld nog wel begrijpen? Veel van wat hier voor ‘kritiek’ of ‘scepsis’ moet doorgaan lijkt verdacht veel op botte afwijzing of blinde ontkenning. De effecten van globalisering en immigratie worden voorgesteld als zaken die kunnen worden teruggedraaid, als we het maar zouden willen; het is de bestuurlijke elite die Nederland op een fatale manier heeft uitgeleverd aan deze ondermijnende krachten.

Van alle gebieden waar een sterke reactie gaande is tegen de idealen en aannames die in de decennia na de Tweede Wereldoorlog onomstreden leken, is die tegen het Europese project nu het meest markant. Ook hier lijkt in korte tijd een radicale omslag te hebben plaatsgevonden. Luidde de klacht van de pleitbezorgers van Europese eenwording nog niet zo lang geleden dat ‘Europa’ maar geen sterke gevoelens opriep bij de burgers – zelfs niet in verkiezingstijd – nu zijn er heftige emoties. Werd culturele Euroscepsis tot nog niet zo heel lang geleden gerekend tot een van die licht excentrieke, vooral typisch Britse verschijnselen in de marge van de internationale politiek, nu is die scepsis alomtegenwoordig.

In radicale kringen heeft de paranoia die voorheen gericht was op de vermeende expansiedrift van de Islam (‘Eurabië’) zich verplaatst naar de dreiging van zogenaamde Brusselse technocraten, die vanaf het allereerste begin niets minder dan een totalitaire staat zouden nastreven (‘EUSSR’). De onderliggende woede valt terug te voeren op dezelfde emotie: culturele eigenheid die van buitenaf bedreigd wordt door cultureel egaliserende en politiek totalitaire krachten.

Ook op dit gebied richt men zijn pijlen in de eerste plaats op de bestuurlijke elite, die deze bedreigende krachten zou faciliteren. De elite zou dit doen uit zwakheid of, nog erger, uit overtuiging. Het zijn „cultureel-marxisten” die „onze waarden” zouden relativeren ten opzichte van de islam. Net zo zijn het de „eurofielen” die de „nationale soevereiniteit” verkwanselen in ruil voor „Brusselse dictaten”.

Op deze anti-Europese aanvallen wordt veelal met onbegrip gereageerd. De bestuurlijke elite die zich aan het Europese project heeft gecommitteerd, is bereid om het nog eens uit leggen, men wil best nog eens aantonen dat Europa de lidstaten de afgelopen decennia behalve vrede ook economische voorspoed heeft gebracht. Tegenover de taal van de emotie wil men de taal van de rede stellen. Nog altijd bestaat de hoop dat de tegenstanders door argumenten tot inkeer zullen komen, dat feitelijke staatjes en grafieken de gemoederen tot bedaren zullen brengen.

Men is meestal blind voor de aard van de opstandigheid. Te vaak nog worden de kritische geluiden beschouwd als onbegrijpelijke oprispingen, die op den duur vanzelf verdwijnen, aangezien ze elke redelijke grond missen. De vaak paranoïde retoriek waarmee de aanvallen worden ingezet, roept naast afkeer vooral gepikeerdheid op, omdat de taal die gebezigd wordt kwaadaardig, cynisch en kwetsend overkomt. Hoe kan het dat aannames en idealen die tot niet zo lang geleden vanzelf spraken, worden bestreden?

‘Europa’ is maar een onderdeel van de reactie. Er is een breed gedragen reactie tegen ontwikkelingssamenwerking gaande, tegen het subsidiëren van kunst, tegen de „uitwassen” van natuurbehoud. Waarom keren substantiële groepen burgers zich ogenschijnlijk tegen immateriële waarden als medemenselijkheid, solidariteit en zorg voor de volgende generaties? Eerder dan over hervormen en verbeteren, wordt er gesproken over afbreken en afschaffen. Kritische tegengeluiden lijken te worden beschouwd als het zoveelste bewijs van misplaatst superioriteitsgevoel. Als er al een debat is, dan tussen doven. Het is niet toevallig dat zorg voor het milieu, de kunst en de ontwikkeling van arme landen het doelwit van critici zijn geworden. Tezamen met de grote, twintigste-eeuwse emancipatiebewegingen gaat het hier om de pijlers van wat ik het naoorlogse humanisme noem. Dat humanisme wordt gekenmerkt door drie bepalende aansporingen. Het sleutelwoord is empathie.

Ten eerste: eigenbelang moest ondergeschikt gemaakt worden aan een gedeeld, algemeen belang. De gemeenschap van mensen moest steeds verder uitgebreid worden, juist uit naam van een gedeelde menselijkheid.

Ten tweede: nadruk op het eigene – ras, cultuur, nationaliteit – die in de eerste helft van de twintigste eeuw tot gruwelijke ontsporingen had geleid – moest zoveel mogelijk worden uitgebannen. In een gemeenschap van mensen vinden mensen elkaar in hun mens-zijn; alle andere onderscheid is een illusie – en meestal een gevaarlijke illusie.

Ten derde: zorg voor de eigen, kleine wereld – gezin, dorp, geloofsgemeenschap – moest samengaan met een betrokkenheid met die daar ver bovenuit steeg. Dat nam vaak abstracte vormen aan; een individu werd ook geacht de zorg voor de planeet op zich te nemen, en voor de generaties na hem.

Het streven was een constante verruiming van empathie en solidariteit; empathie met de ander, ook als hij aan de andere kant van de wereld woonde. Empathie met de wereld zelf, in het heden en de toekomst. Solidariteit met de slachtoffers van wreedheden door anderen aangedaan; met de armen, de misdeelden, de zieken en hongerigen, de gestoorden.

In de jaren dat ik opgroeide hadden veel van deze idealen al hun beslag gekregen in organisaties en instituten, meestal ondersteund door de overheid. De emancipatiebewegingen van vrouwen, zwarten en homo’s werden mainstream, en onderdeel van het beleid van de overheid. Het elan van de protestbewegingen ging langzaam maar zeker op in beleidsstukken en richtlijnen. Natuurbehoud werd een prioriteit van de overheid; net als het stimuleren van kunstuitingen.

e zou kunnen stellen dat het idealisme van na de Tweede Wereldoorlog, naarmate het steviger werd omarmd, ook werd geformaliseerd en gebureaucratiseerd. Anders gezegd: de verruiming van geest die na de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog van een individu werd gevraagd, vond gaandeweg haar beslag in instituten die het individu niet langer nodig leken te hebben en die zich bovendien richtten tegen de kleine, overzichtelijke gemeenschap. Waar afstand overbrugd moest worden – afstand tussen het eigene en het andere, tussen mens en natuur, de eigen belevingswereld en de onbekende wereld van de ander, het heden en de toekomst – werd nu juist opnieuw afstand geschapen door een specifieke elite van ingewijden.

Wie het verzet tegen de leerstellingen van het naoorlogse humanisme probeert te begrijpen, ziet al snel de aard van het probleem: afstand, met als gevolg vervreemding. Langzaam maar zeker is veel van het draagvlak voor het humanistische idealisme afgebrokkeld. Dat idealisme is in handen gekomen van een bestuurlijke elite, die het nog altijd met de mond belijdt, maar zich naar buiten toe weinig rekenschap meer lijkt te geven van de wijze waarop die idealen hun beslag krijgen in een complexe werkelijkheid. Vandaar dat tegenstanders er voortdurend de nadruk op leggen dat zij niet tegen de zaak zelf zijn, maar tegen de wijze waarop die wordt behartigd. Dus: ik ben niet tegen Europa, maar tegen de manier waarop Europa wordt vormgegeven; ik ben niet tegen kunst, maar tegen de huidige kunstsubsidies; ik ben niet tegen ontwikkelingshulp, maar het werkt niet. Zulke argumenten hebben iets van mantra’s gekregen, zo vaak en klakkeloos als ze worden herhaald. Ongetwijfeld zit er een kern van waarheid in – het is echt niet moeilijk voorbeelden te vinden die dat aantonen – maar wat ermee wordt uitgedrukt is een diepere crisis. De empathie met de ander, die het humanisme als opdracht had gesteld, wordt niet alleen als vals voorgesteld, maar ook als vijandig, iets dat bestreden moet worden.

oor voortdurend de nadruk te leggen op het andere, het zichzelf overstijgende, en het verhevene, is men zich bedreigd gaan voelen in wat men als het eigene beschouwt – vandaar de onwil om de kwestie Zwarte Piet zelfs maar in overweging te nemen. De dwingende geloofsartikelen van het naoorlogse humanisme, met zijn nadruk op de morele plicht je juist met het andere te vereenzelvigen, lijken dat uiteenvallen van de gemeenschap alleen maar te willen bevorderen. De onhoudbare spagaat van degenen die zich daartegen verzetten: juist in een veranderende wereld, moet Nederland vooral zichzelf blijven.

Hedendaagse populisten hebben het vaak over weggegooid geld, maar de emotie die ze werkelijk exploiteren is een gevoel van miskenning. Veel mensen hebben het gevoel dat ze over het hoofd worden gezien, dat anderen – uit naam van humanistische en humanitaire principes – meer geholpen worden dan zijzelf, dat bij hen alleen nog hun portemonnee interessant gevonden wordt, dat alles wat hun leven een bedding verschafte – cultuur, gemeenschap, kleinschaligheid – hun ontnomen is uit naam van abstracte, verheven principes. En zo wordt de afstand tussen individu en de wereld waarbij hij betrokken zou moeten zijn, steeds groter.

Geen wonder dat de extremisten die deze denktrant voorbrengt, zoals in Noorwegen de terrorist Anders Breivik, zich verliezen in hysterische fantasieën over kruisridders, die hun volk tegen ondermijnende invloeden van buiten beschermen door op een gewelddadige wijze af te rekenen met een verraderlijke elite die het eigene verkwanselt uit naam van verlichte, humanistische drogredenen.

Hoe gevaarlijk ook, en hoe hysterisch meestal ook, een dergelijke denktrant maakt duidelijk dat het naoorlogse humanisme steeds minder vaste grond onder de voeten heeft; de opvattingen van de extremisten worden in een gematigde vorm door veel mensen gedeeld.

Het is niet alleen een rechts fenomeen. De kritiek van links op de uitwassen van het neoliberalisme voert deels ook terug op dit culturele onbehagen. Wanneer een fabriek in een stad als Oss gesloten wordt, omdat de werknemers in Zuid-Korea goedkoper zijn, wordt ook een gevoel van gemeenschap met voeten getreden – de ontslagen werknemers verliezen niet alleen hun baan, maar hun kleine wereld wordt ook gebruuskeerd door een grote, ongevoelige wereld.

En Nederland is niet zo uitzonderlijk als de buitenlandse media het voorstellen; deze spanningen vind je overal. Maar omdat in Nederland het geloof in het naoorlogse humanisme zo groot was, is de reactie hier heviger, de toon harder, de houding onverzoenlijker, het lawaai uitzinniger. Opnieuw wordt een gevoel van eigenheid aangetast door vijandige krachten.

Je hoeft geen ziener te zijn om te voorspellen dat de afstand tussen individu en de wereld waarbij hij betrokken zou moeten zijn – misschien wel de enige kloof die echt telt – in 2013 niet kleiner zal worden. Het afgelopen jaar leek de economische crisis even die andere crisis – noem het de culturele crisis – overschaduwd te hebben. Dit tot opluchting van velen, die met even ongrijpbare als dubieuze begrippen als cultuur en identiteit niet veel aankonden. Maar juist wanneer de effecten van de crisis het gevoel van ontheemding vergroten, zullen ze zich opnieuw, en waarschijnlijk nog heftiger, naar de voorgrond dringen.

    • Bas Heijne