Eindelijk hangen ze weer, onze Malevitsjen

Kelley, Calder, Documenta, over die hoogtepunten is overeenstemming. En er was meer in 2012: van Jeff Koons tot Rafaël en etende mensen. Maar het belangrijkste was de opening – eindelijk! – van het Stedelijk.

Nederland, Amsterdam, 17-09-2012. Het Stedelijk Museum aan het Museumplein in Amsterdam. Exterieur. Foto: Olivier Middendorp

„Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een belachelijker ogend gebouw heb gezien dan het nieuwe Stedelijk Museum”, schreef architectuurcriticus Michael Kimmelman vorige week in The New York Times. Niets dan hoon had Kimmelman in zijn recensie over voor de nieuwe aanbouw van het Stedelijk Museum Amsterdam. Een gebouw in de vorm in de badkuip, vele jaren te laat opgeleverd, vele miljoenen meer kostend dan begroot en nu al gedateerd – wie had er in godsnaam zoiets idioots kunnen verzinnen?

Groots of grotesk, voor de Nederlandse kunstwereld was de opening van de badkuip het onbetwiste hoogtepunt van 2012. Veel te lang hadden kunstenaars en kunstliefhebbers het Stedelijk moeten missen, veel te lang hadden de topstukken opgeslagen gestaan in het museumdepot. Alleen al het weerzien met die wereldberoemde collectie, was in september reden genoeg voor een feest. Wat hingen ze er schitterend, in de opgefriste zalen van de oudbouw, de Malevitsjen en de Mondriaans, en wat rook The Beanery oud en vertrouwd muffig. Een roze schilderij van Philip Guston ging een onverwachte pas de deux aan met een blauw naakt van Picasso, het Nederlandse conceptualisme van Jan Dibbets combineerde wonderwel met de Italiaanse ideeënkunst van Alighiero Boetti. Het was een opstelling die oud en vertrouwd aanvoelde, maar ook vol verrassingen zat.

Critici spraken bij de opening wel de vrees uit dat het Stedelijk te veel een museum voor gecanoniseerde moderne kunst dreigde te worden. Was er nog wel aansluiting met het heden, was er nog wel ruimte voor experiment?

Het overdonderende retrospectief van de Amerikaan Mike Kelley, dat half december opende, heeft die kritiek vooralsnog doen verstommen. Het is het soort tentoonstelling – wild, sprankelend, verontrustend – waar je als museum internationaal mee voor de dag kunt komen. Voor 2013 staan presentaties van de jonge kunstenaars Lucy McKenzie en Guido van der Werve op het programma. Aernout Mik krijgt zijn langverwachte mid-career overzicht. Dat beloven mooie, serieuze shows te worden.

De gekke badkuip is intussen een veelbesproken fenomeen. Nu moet het museum zelf nog zo spraakmakend zien te worden als in de voorbije decennia.

    • Sandra Smallenburg