De glimspons

De schoenmaker was vergeten een van de twee schoenen te repareren die ik hem enkele dagen eerder gebracht had. Hij bekende het schuldbewust en bood een stoel en een kop koffie aan als ik wilde wachten tot hij ermee klaar was. Wachten zonder afleiding vind ik vervelend, maar ik had een nog ongelezen krant bij me, dus wat lette me?

Ik had geen rekening gehouden met de vrouw van de schoenmaker, die zich altijd als een vaste waarde met onduidelijke bevoegdheden ergens halverwege de zaak ophield. Zij rekende het nu tot haar taak mij gezelschap te houden en begon een gesprekje over weer (nog altijd goed), toeristen (nog altijd veel) en prijzen (nog altijd hoog, ook die van schoenreparaties, maar dat zei ze er niet bij). Ik keek af en toe schuin naar de krant op mijn schoot, maar het hielp niet. Gelukkig maakte haar koffie veel goed.

Plotseling kwam een lange schrale man van in de zestig de winkel binnen. „Ik zoek zo’n schoensponsje”, zei hij tegen de vrouw.

„Welke kleur?”

„Bruin…”, aarzelde hij. „Wat mijn vrouw me liet zien, was aan de buitenkant bruin.”

De vrouw van de schoenmaker bukte naar een van de laagste schappen tegen de wand. „Deze zult u bedoelen.”

De man knikte van een afstandje, alsof hij er niet te veel tijd aan wilde verspillen. Schoensponsjes, komaan, sinds wanneer zijn wij daartoe op aarde? Gehaast rekende hij af. De rust keerde terug, maar werd al snel onderbroken door een telefoontje dat de schoenmaker danig bezighield. Hij maakte zich ergens boos over, wat ik afleidde uit halfgedempte uitroepen als „dat had u me weleens eerder mogen vertellen” en „sinds wanneer geldt dat ook voor mij?” Toen liep hij de ruimte achter de winkel binnen en liet me alleen met zijn vrouw.

Nog voordat ons gesprek het oude niveau had bereikt, kwam de man van het schoensponsje weer binnen. „U heeft me toch het verkeerde meegegeven”, zei hij bozig. ,,Nog een geluk dat ik hier vlak om de hoek woon. Mijn vrouw zei dat het aan de buitenkant bruinig is, maar dat het voor zwárte schoenen bestemd is.’’

„Dat zei u er toen niet bij’’, zei de vrouw van de schoenmaker. Ze nam het sponsje aan en liep ermee naar de schappen.

„Ik heb het oude sponsje meegenomen”, zei de man. Hij haalde het uit zijn broekzak.

„Die hebben we niet”, zei de vrouw, „maar we hebben wel iets dat op hetzelfde neerkomt. Dat is de glimspons, een neutraal sponsje dat geschikt is voor elke kleur leer.”

„Maar ik moest een zwart sponsje nemen”, zei de man benauwd.

„Die hebben we ook, maar uw oude sponsje was iets anders, dat had alle voordelen van de glimspons.’’

De man keek bijna radeloos mijn kant op, maar ik deed net of ik mijn krant interessanter vond. „Nou vooruit, doet u die glimspons dan maar.”

„U zult er geen spijt van krijgen’’, zei de vrouw van de schoenmaker terwijl ze de sponsjes omwisselde, „het zijn ideale sponsjes, u kunt er wel honderd paar schoenen mee doen.”

De man verliet gerustgesteld de winkel. De schoenmaker, eindelijk uitgebeld, legde de laatste hand aan mijn schoen. Vijf minuten later stond ik buiten, net op tijd om de deur open te houden voor de man van de sponsjes die hijgend naderde. „Godverdomme”, zei hij, „voortaan kan ze die kutsponsjes zelf halen.”

Ik weet dat ik nu weer boze mails krijg van de Bond tegen vloeken, maar wat kunnen we zo’n geplaagd man kwalijk nemen?

    • Frits Abrahams