Verandering van tijd doet leven

Sociologie

Verward en zelfs ziek, dat kunnen mensen worden van snelle wendingen in de maatschappij. Maar de meerderheid past zich juist aan.

De Brandenburger Tor in Berlijn in juni 1989 (een half jaar voor de Muur viel) en in 2009. De Wende veranderde het leven radicaal. Foto Reuters

‘Ik droomde, dat ik langzaam leefde … / langzamer dan de oudste steen.’ Die regels van Vasalis behoren tot de bekendste uit de Nederlandse literatuur. Maar wie denkt dat haar gedicht Tijd (1940) een lofzang is op rust en verstilling, heeft niet opgelet op school. ‘Het was verschrikkelijk’, zegt ze in de volgende regel. Om haar heen ‘schoot alles op, schokte of beefde, / wat stil lijkt.’ Ze zag bomen die zich uit de aarde wrongen, het ritme van dag en nacht werd een flakkerend vuur, ze zag de zee ‘zwellen en weer haastig slinken’.

Het zou een beeld kunnen zijn van de mens die stil toekijkt hoe de samenleving in razend tempo verandert. Hij ziet gebouwen verrijzen en weer afgebroken worden, banken omvallen en nieuwe muntsoorten wegkwijnen. Hij ziet telefoons opdoemen die je de weg wijzen in verre buitenlanden en de samenleving verkleuren als in een versnelde film. Vindt hij dat ook verschrikkelijk? Is het snelle tempo van de maatschappelijke veranderingen nog wel bij te benen?

Soms is dat heel moeilijk, vond de Amerikaan Alvin Toffler in 1970. Zijn beroemde bestseller Future Shock is een boek dat nog steeds leest als een sneltrein. In vijfhonderd pagina’s jachtig proza beschrijft Toffler moderne ontwikkelingen in de wetenschap, de economie en het dagelijks leven en geeft hij zijn ideeën over hoe het daarmee verder gaat. Hij voorzag de opkomst van grote computernetwerken, cyberseks, naar persoonlijke smaak aangepaste massaproductie, de explosie van de dienstensector en de opkomst van flexibele organisaties. Andere voorspellingen van Toffler moeten nog uitkomen, zoals de samensmelting van menselijke breinen en computers.

Toffler zag die nieuwigheden overigens niet als het voornaamste probleem. Het bedreigende was volgens hem het tempo waarmee ze zich aandienen. Daarmee om te gaan vereiste een nieuwe psychologische gesteldheid, en wie die niet kan opbrengen, zou ten prooi vallen aan future shock, de ‘duizelingwekkende gedesoriënteerdheid die wordt veroorzaakt door het voortijdig arriveren van de toekomst’. Hij bepleit een verstandig management van al die veranderingen: wie net gescheiden is zou niet een nieuwe baan moeten nemen, wie net een kind heeft gekregen moet niet verhuizen.

Ook zou het nuttig zijn om geïsoleerde plekken in te richten waar het leven wat rustiger verloopt, enclaves of the past. Die zouden een toevluchtsoord moeten worden voor mensen die op zoek zijn naar een rustiger leven, met minder stimuli. Verkeer moest geweerd worden, in plaats van kranten zouden er alleen weekbladen verschijnen en radio en televisie mochten maar een paar uur per dag aanstaan.

Industriële revolutie

Toffler vlocht vaardig bestaand onderzoek aan elkaar en zag vaak verrassend goed wat ons nog te wachten staat. Een virtuoze trendwatcher, geen wetenschappelijk onderzoeker. Toch is zijn these interessant: dat een versnelling van de maatschappelijke ontwikkelingen kan leiden tot sociale desoriëntatie. Het is wel een algemene stelling en dus moeilijk te bewijzen of te ontkrachten.

Je kunt ook meteen opmerken dat snelle sociale veranderingen geen natuurverschijnselen zijn. Ze zijn door mensen in gang gezet en als de auto, het internet of het kapitalisme de wereld veroveren, dan zegt dat succes ook iets over de mate waarin de mensen zo’n vernieuwing omarmen. Maar het is waar, sommige mensen zullen er meer profijt van hebben dan andere – zie de industriële revolutie. En veel vernieuwingen hebben gevolgen die door niemand zijn voorzien – zie de auto.

Verder zijn sociale versnellingen niet het privilege van de huidige tijd. ‘Elke generatie sinds de Franse Revolutie is geteisterd door turbulente tijden’, zegt de Britse historicus David Lowenthal in zijn boek The Heritage Crusade (1997). Het werk van zijn collega Philipp Blom kan als een illustratie van die stelling gelden. In The Vertigo Years (2008) geeft Blom een levendige beschrijving van een ‘duizelingwekkende’ periode: de jaren 1900 - 1914 in Europa.

De vroege twintigste-eeuwer werd met nieuwigheden geconfronteerd waarbij ons internet verbleekt: elektriciteit, massaproductie, röntgenstralen, radioactiviteit, de relativiteitstheorie, film, draadloze telegrafie, telefoon, auto’s, vliegtuigen. Meisjes gingen voor het eerst massaal naar school, vrouwen verdienden hun eigen geld en kregen stemrecht. De verhoudingen tussen mannen en vrouwen veranderden ingrijpend. De kunst explodeerde, in Italië schreef de dichter Marinetti zijn futuristisch manifest waarin hij de ‘agressieve beweging’ verheerlijkte, ‘de koortsachtige slapeloosheid, de snelle passen’.

Blom beschrijft hoe de snelheid van de nieuwe ontwikkelingen velen te machtig werd. Vooral in Duitsland voltrok zich een epidemie van ‘ontredderde zenuwen’, een aandoening die ook wel ‘neurasthenie’ werd genoemd. Tienduizenden mensen belandden in psychiatrische inrichtingen en sanatoria en het bijzondere was dat het vooral mannen waren. Ze stortten in, raakten overwerkt.

De angst niet genoeg te presteren was een veel voorkomende klacht en mensen in de voorhoede van de nieuwe technologie waren het meest vatbaar: telefonisten, typistes, fabrieksarbeiders, ingenieurs, zakenmensen. In 1910 waren er in Duitsland ruim 220.000 patiënten met zenuwaandoeningen opgenomen. Blom meldt niet hoe het verder ging met al die nerveuze klachten, maar aan auto’s, telefoons en vliegtuigen raakten de mensen gewend – en burn-outs en depressies zijn gebleven.

Jaren zestig

Bloms boek is overal goed onthaald en zijn beschrijving van sociale snelheid en psychische aandoeningen kan als een bevestiging van de Tofflerthese worden beschouwd. Maar er zijn ook tegenvoorbeelden. Neem de revolutie die Nederland op zijn grondvesten deed schudden en die algemeen wordt gezien als de belangrijkste verandering sinds de Tweede Wereldoorlog: de jaren zestig. Die tijdsaanduiding staat voor de ingrijpende veranderingen in de gezagsverhoudingen die toen plaatsgrepen. Een los verband van studenten, actievoerders en kunstenaars slaagde er in zeer korte tijd in de maatschappij te hervormen. De verhoudingen tussen vrouwen en mannen, ouders en kinderen, leidinggevenden en ondergeschikten, autoriteiten en burgers werden gelijkmatiger, egalitairder. Dat ging niet zonder slag of stoot, maar bij die revolutie is maar één dode gevallen: de bouwvakker Jan Weggelaar die in 1966 tijdens een betoging overleed – aan een hartaanval. Toen de jaren zestig voorbij waren, was het ouderwetse Nederland van de jaren vijftig duchtig gemoderniseerd. De spruitjeslucht was opgetrokken en het land was klaar voor een toekomst waarin kennis en eigen initiatief steeds belangrijker zouden worden.

De Amerikaanse historicus James Kennedy en zijn Nederlandse collega Hans Righart schreven beiden in 1995 een boek over die periode, en voor een deel stemmen hun conclusies overeen. Kennedy beschouwt in zijn Nieuw Babylon in aanbouw niet de actievoerders, maar hun tegenstrevers als de belangrijkste vormgevers van de nieuwe samenleving. De autoriteiten en de regenten begrepen dat de nieuwe tijd niet was tegen te houden en bogen behendig mee. Righart betoogt in De eindeloze jaren zestig dat aan het einde van de jaren vijftig de spanning tussen de officiële moraal en het werkelijke leven van de Nederlanders hoog was opgelopen. De uitbarsting was daarom begrijpelijk en de repressie relatief gering.

Nederland had een radicaal, maar blijkbaar noodzakelijk moderniseringsproces achter de rug. De culturele revolutie had de nodige hoofdbrekens gekost en menig ouder en politiecommissaris slapeloze nachten bezorgd. Maar het resultaat was een meer informele en meer democratische samenleving. Van future shock leken de mensen weinig last te hebben. Al kun je het ook anders formuleren: als die revolutie zich niet had voltrokken, was de toekomst ergens in de jaren zeventig gearriveerd – en dan waren er vast meer slachtoffers gevallen.

Genderrevolutie

Onderzoekers van sociale revoluties hebben tegenwoordig de halve wereld tot hun beschikking, want ingrijpende veranderingen als individualisering, migratie, de opkomst van moderne media en de toenemende participatie van vrouwen (de ‘genderrevolutie’) laten overal hun sporen na. Een echt onderzoeksparadijs zijn snel veranderende gebieden als China of de landen die van de ene op de andere dag het communisme afschaften, zoals de DDR. Een groep onderzoekers verenigd in ‘The International Society for the Study of Behavioural Development’ houdt zich met dit type onderzoek bezig. In 2009 gaven ze een overzicht van een aantal langlopende onderzoeksprojecten op hun terrein (ISSBD Bulletin, nr.1 mei 2009). Een tweetal mechanismen zien ze vaak optreden. Om te beginnen kunnen mensen vaak redelijk goed omgaan met de discrepanties tussen hun toekomstplannen en de mogelijkheden die er zijn om ze te verwezenlijken. Of ze stellen hun plannen bij, of ze kijken nog eens goed naar de mogelijkheden. En verder helpt het als je hechte relaties hebt met andere mensen – als je een gezin hebt bijvoorbeeld. Dat dempt het effect van grote sociale veranderingen.

Een van de onderzoekers, de psycholoog Xinyin Chen van de University of Western Ontario (Canada), bestudeerde in China de gevolgen van de overgang naar een meer kapitalistisch model op de opvoeding van kinderen. Hij ontdekte dat ouders meer waarde gingen hechten aan zelfstandigheid, eigen initiatieven en sociale vaardigheden van kinderen. De kinderen werden dus beter voorbereid op een toekomst waarin niet alles door autoriteiten wordt voorgeschreven.

Ook de voormalige DDR was na de val van de Muur (1989) een ideaal laboratorium voor sociale wetenschappers. Een team sociologen en psychologen onder leiding van Rainer Silbereisen and Martin Tomasik van de universiteit van Jena zag hun eerste vermoedens bevestigd: de groeiende onzekerheid over banen in de voormalige DDR leidde tot negatieve gevoelens bij de werknemers. Toch waren de mensen in het oosten niet altijd slechter af: bij vergelijkbare druk en onzekerheid voelden zij zich vaak beter dan hun landgenoten in de rijkere delen. Als verklaring hiervoor voeren de onderzoekers aan dat Duitsers in de armere delen van het land zich konden vergelijken met een groter aantal mensen die er slechter aan toe waren dan zijzelf. Ze keken om zich heen en ze concludeerden dat het altijd nog erger kon.

Zij vielen niet ten prooi aan ‘Ostalgie’, het heimwee naar de saamhorigheid en de zekerheid van de gevallen heilstaat dat in het midden van de jaren negentig bloeide. In tijden van snelle verandering is het verleidelijk om troost te vinden in een geïdealiseerd verleden. Ook dat is een bekend mechanisme, zeker als een samenleving vergrijst en er veel mensen over vroeger kunnen vertellen.

In Nederland is sinds enige jaren een zoektocht naar de identiteit van de natie aan de gang en het verleden wordt daarin als voornaamste bron gebruikt. De meest opmerkelijke manifestatie daarvan is de publicatie van de Nederlandse canon, in 2005. Onder leiding van KNAW-president Frits van Oostrom verscheen een overzicht van 50 historische personen, voorwerpen of gebeurtenissen die als ‘vensters’ uitzicht boden op het ‘rijke verhaal van Nederland in de wereld’. De canon begint met de hunebedden en eindigt met de euro. Daartussen zien we onder meer Rembrandt, de gasbel, Annie M.G. Schmidt, Aletta Jacobs, Willem Drees en de Stijl.

De Amsterdamse socioloog Jan Willem Duyvendak ziet dergelijke pogingen om de Nederlandse identiteit te definiëren als voorbeelden van de ‘culturalisering van het burgerschap’. Daarmee bedoelt hij dat het Nederlands burgerschap steeds minder een juridische of een economische betekenis heeft, en steeds meer ‘cultureel’ wordt gedefinieerd: je moet de ‘juiste’ opvattingen en gevoelens hebben over kleding, relaties tussen mannen en vrouwen, vrijheid van meningsuiting, religie, etcetera. Nederlanders gaan daarin veel verder dan Engelsen en Fransen, ontdekte zijn collega Evelien Tonkens. Samen met Menno Hurenkamp publiceerden zij daarover in hun boek Crafting citizenship (2012).

Nostalgie

Volgens Duyvendak is die culturalisering een gevolg van een breed gevoelde nostalgie, heimwee naar een tijd waarin de natie nog een ‘huis’ was, waarin autochtone Nederlanders onder elkaar waren. Het formuleren van een canon kan volgens hem leiden tot uitsluiting van nieuwkomers: aan de Nederlandse geschiedenis hebben zij geen deel, en dat wordt hun met een canon nog eens ingepeperd.

Niet iedereen is tegen snelle veranderingen opgewassen, dat is een veilige conclusie. Maar de meeste mensen passen zich aan wanneer de toekomst arriveert. Ze zetten de tering naar de nering, zoals de Chinezen en de Oost-Duitsers hierboven. Ze herstellen uiteindelijk van hun future shock, zoals de Europeanen in het begin van de vorige eeuw. En ze ontdekken dat auto’s, kiesrecht voor vrouwen en informele omgangsvormen ook veel voordelen hebben.

En nostalgie? Je zou dat als een vorm van ‘langzaam leven’ kunnen zien. Het klinkt verleidelijk, maar erg productief is het niet. Wie zijn Vasalis kent, weet wat hem dan te wachten staat: alles schokt, beeft en tolt om je heen.

Misschien is het beter om te vertrouwen op datgene wat de mensen de afgelopen 200.000 jaar erg goed van pas is gekomen. Hun grenzeloos vermogen tot vernieuwing en aanpassing.

    • Warna Oosterbaan