Topsport is romantiek voorbij, maar wij hebben Epke

Het was een verwarrend sportjaar. Een theater met een lach en een traan en strak geregisseerde voorstellingen.

Netherlands' Epke Zonderland competes in the men's gymnastics horizontal bar final in the North Greenwich Arena during the London 2012 Olympic Games August 7, 2012. REUTERS/Brian Snyder (BRITAIN - Tags: SPORT GYMNASTICS OLYMPICS TPX IMAGES OF THE DAY) REUTERS

Sport is in toenemende mate geen sport meer. Hoezeer we in 2012 ook hebben genoten van turner Epke Zonderland, windsurfer Dorian van Rijsselberghe, wielrenster Marianne Vos en zwemster Ranomi Kromowidjojo, topsporters zijn steeds vaker pionnen op het schaakbord van sportbestuurders, politici en zakenlieden. Die winnen aan macht, zoals bleek in oktober. Al die prachtige olympische prestaties werden in één klap overschaduwd door de Big Bang in de Verenigde Staten, waar voormalig wielrenner en zevenvoudig Tourwinnaar Lance Armstrong was ontmaskerd als systematische grootgebruiker van dope.

De zwarte kant van Armstrongs succes bleek een norm voor presteren. Langzaam maar zeker dringt het tot sportliefhebbers door dat zij steeds vaker gepleasd worden met geprepareerde heroïek. Nee, dat is niet helemaal nieuw. We wisten al veel van doping. Maar lang niet alles. Armstrong heeft er in zijn tijd als actief wielrenner een dimensie aan toegevoegd. De onthullingen over zijn aanpak leerden ons dat dopegebruik al lang niet meer beperkt blijft tot de sporter die in zijn uppie de spuit hanteert of een pilletje slikt. Er zit een systeem achter; Armstrong was de leider van een gestructureerd dopekartel.

Dat roept de vraag op wie zijn partners in crime waren en welke belangen zij hadden of mogelijk nog steeds hebben. Sportfilosoof Ivo van Hilvoorde, die veel studie van doping heeft gemaakt, sluit niet uit dat in het geval Armstrong de politiek een rol speelde. Hij wijst op diens nauwe banden met de Democratische partij. In de gepolariseerde Amerikaanse politieke verhoudingen kan er zo maar een belang zijn om de populaire Armstrong te elimineren. Zoals er volgens Van Hilvoorde in Spanje politieke belangen zijn om de geruchtmakende, slepende bloeddopingzaak rond de arts Eufemiano Fuentes te laten smeulen.

De macht van de politiek is doorgaans krachtiger dan de invloed van sportbestuurders en zakenlieden. De internationale wielerfederatie UCI, in casu haar toenmalige voorzitter Hein Verbruggen, zat niet te wachten op de val van Armstrong. Nu weet de goegemeente officieel dat zij elkaar niet dwarszaten en de oud-renner duizenden dollars aan de UCI doneerde. Die innige relatie was ontstaan in de jaren na de Tour Dopage, in 1998, toen Armstrong en Verbruggen een groot gezamenlijk belang hadden. De UCI was na alle onthullingen over wielrennen en doping gebaat bij een icoon met een schoon blazoen, een nieuwe held. Armstrong kwam als geroepen. Mooier verhaal dan de van kanker genezen Tourwinnaar is bijna niet denkbaar. En zijn belang was zoveel mogelijk zijn gang met dope te kunnen gaan. Want aan zijn succes hingen ook weer zakelijke belangen. Van de fietsindustrie tot die van zijn privésponsors als Nike en Oakley en zijn toenmalige ploegsponsor US Postal.

De val van Armstrong kun je exemplarisch voor de sportieve excessen en tegenvallers in 2012 noemen. Epke, Dorian, Marianne en Ranomi hebben in Londen niet kunnen verbloemen dat het Nederlands elftal tijdens het EK in krakkemikkige staat verkeerde, de Tour voor Nederland een sof werd, bij een Egyptische voetbalwedstrijd 74 doden vielen, de raad van commissarissen van Ajax onder de druk van Johan Cruijff bezweek, de voetballers Luís Suárez en John Terry tegenstanders racistisch bejegenden, Arjen Robben met een gemiste strafschop de Champions-Leaguefinale voor Bayern München versjteerde – om later in een oefenduel met Oranje door de Duitse fans te worden uitgefloten – de Engelse Boat Race door een activist werd verstoord en de Almeerse grensrechter Richard Nieuwenhuizen door Amsterdamse jeugdvoetballers werd dood geschopt. In moreel opzicht was 2012 een verwerpelijk jaar.

Is dat toeval? Niet echt. De homo ludens, de spelende mens, bestaat (bijna) niet meer. Topsport is een industrie geworden waarin resultaten worden gefabriceerd. Als er dan iets misgaat, volgt vaak de ontembare frustratie. Armstrong programmeerde zijn zeven Tourzeges. Hij verdreef de romantiek uit het wielrennen. Armstrong was volgens Van Hilvoorde trendsetter. „Het lichaam wordt tegenwoordig geobjectiveerd als een machine. Een topsporter moet zo min mogelijk vet hebben en zo veel mogelijk watt kunnen trappen om te winnen. De onvoorspelbaarheid, de essentie van sport, is aan de top vrijwel verdwenen.”

Van Hilvoorde heeft gelijk. Projecteer zijn opvatting op de Olympische Spelen van Londen en de conclusie is dat verrassingen grotendeels zijn uitgebleven. Usain Bolt was geprogrammeerd de beste sprinter te worden. En hij werd het. Ranomi Kromowidjojo was geprogrammeerd om de snelste zwemster op de sprintnummers te worden. En zij werd het. Epke Zonderland werd geprogrammeerd om met drie gecombineerde vluchtelementen goud te winnen. En hij won goud. Marianne Vos was geprogrammeerd om de wegwedstrijd te winnen. En zij won. Dorian van Rijsselberghe was geprogrammeerd om de beste windsurfer te zijn. En hij was het. Er schuilt steeds meer ratio en steeds minder emotie achter een sportprestatie.

Aan het rationalisatieproces van topsport levert sportkoepel NOC*NSF een steeds grotere bijdrage. Technisch directeur Maurits Hendriks verdeelde onlangs het beschikbare geld ter voorbereiding op de Olympische Spelen van 2016 in Rio de Janeiro onder de sporten met de grootste medaillekansen. De achterliggende gedachte is, dat in die sporten niets aan het toeval moet worden overgelaten. Alles voor de winnaars, niets voor de verliezers. Een eenzijdige kijk op sportprestaties; alsof veel olympische medailles het volk gelukkiger maken. Om maar te zwijgen van het signaal dat NOC*NSF afgeeft. De boodschap aan de sporters van de toekomst: amputeer een been – want de paralympische sporten worden ook rijkelijk ondersteund – of kies voor zwemmen, zeilen, judo, hockey, roeien, paardensport, wielrennen of schaatsen om in Nederland als topsporter serieus te worden genomen.

Diametraal tegenover de extatische hang naar olympische successen bij NOC*NSF staat de weigering van het huidige kabinet steun te verlenen aan de organisatie van Olympische Spelen in Nederland. Ook dat was 2012. Niemand buiten het Binnenhof was op de hoogte gesteld. Alsof een mug werd doodsgeslagen, zo snel en geruisloos ontnam het kabinet Rutte II een harde kern van olympische diehards de illusie dat de Spelen in 2028 op Nederlands grondgebied worden gehouden. De motivatie: te duur en te weinig draagvlak onder de bevolking. Het gevolg: binnen twee maanden was het Olympisch Plan 2028 ten grave gedragen.

Samenvattend was 2012 een verwarrend sportjaar. Een theater met een lach en een traan, maar vooral met strak geregisseerde voorstellingen. Wij Nederlanders hebben genoten van Sven, Ireen, Stefan, Epke, Dorian, Marianne en Ranomi. We hebben gescholden op onze voetballers. Dat vervloekte Oranje, de kleur waarvan we ook nog eens afscheid nemen. Onze Raboploeg is niet meer. Gelukkig, gaan we gaan Blanco het nieuwe jaar in.