Toen de boekenkast omviel

Homerus, Chartres, Bach, de Engelse tuin – over Europa valt meer te zeggen dan ‘het is mooi geweest’. In de laatste papieren aflevering van een serie over de cultuur die het continent bindt: de Europese romans van Joyce, Musil en Mann.

USA. New York. Long Island. US actress Marilyn MONROE. 1955. Contact email: New York : photography@magnumphotos.com Paris : magnum@magnumphotos.fr London : magnum@magnumphotos.co.uk Tokyo : tokyo@magnumphotos.co.jp Contact phones: New York : +1 212 929 6000 Paris: + 33 1 53 42 50 00 London: + 44 20 7490 1771 Tokyo: + 81 3 3219 0771 Image URL: http://www.magnumphotos.com/Archive/C.aspx?VP3=ViewBox_VPage&IID=2S5RYD1LZR1N&CT=Image&IT=ZoomImage01_VForm ©Eve Arnold / Magnum

In de jaren vijftig van de vorige eeuw ontstond onder schrijvers in de Verenigde Staten het verlangen om in één dikke roman het leven zo volledig mogelijk te boekstaven. In deze mythische ‘Great American Novel’, die zowel tijdsbeeld als zielenspiegel moest zijn, draaide het om de vraag wat het betekent om Amerikaans te zijn. Een vraag die nog steeds relevant is in een land van tientallen verschillende culturen die al sinds twee eeuwen geacht worden een eenheid te vormen.

Europa is pas een paar decennia verenigd, maar wie de literatuurgeschiedenis bekijkt, kan constateren dat de schrijvers van het continent al veel eerder de ambitie hadden om de condition européenne zo dwingend mogelijk uit de doeken te doen. Vooral in de jaren twintig, de hoogtijdagen van het zogeheten ‘modernisme’, floreerde iets wat je de Grote Europese Roman zou kunnen noemen. Gebruikmakend van nieuwe technieken als stream of consciousness (oftewel innerlijke monologen), onbetrouwbare vertellers, filmische montage en middelpuntzoekend perspectief, zochten schrijvers naar de essentie van een continent dat door een desastreuze loopgravenoorlog aan de rand van de afgrond was gebracht. Hun romans, vaak dik en/of meerdelig, waren de prozapendanten van het lange en veelzeggend getitelde gedicht The Waste Land dat de Amerikaanse Brit T.S. Eliot in 1922 publiceerde. ‘These fragments I have shored against my ruins’ luidde een van de memorabele regels daarin, en behalve een omgevallen boekenkast was The Waste Land ook een collage van citaten in bijna alle Europese talen.

1922, het sterfjaar van Marcel Proust, was in veel opzichten het annus mirabilis van de Europese literatuur. Naast The Waste Land van Eliot, Baal van Bertolt Brecht, Siddharta van Hermann Hesse en Jacob’s Room van Virginia Woolf, verscheen in Parijs de boekuitgave van Ulysses, een volumineuze roman waarin James Joyce (1882-1941) de techniek van de stream of consciousness vervolmaakte en experimenteerde met alle mogelijke literaire stijlen. De achttien hoofdstukken van Ulysses, over een dag uit het leven van de Joods-Ierse advertentieverkoper Leopold Bloom en de katholieke schrijver in spe Stephen Dedalus, herschreven niet alleen Homeros’ Odyssee, maar etaleerden ook telkens een andere (literaire) techniek – van de fuga (het ‘Sirenen’-hoofdstuk, dat zich in een bar afspeelt) tot de hallucinatie (het ‘Circe’-hoofdstuk in het bordeel).

Ulysses is te lezen als een roerend verhaal over een Europese elckerlyc die worstelt met de dreigende ontrouw van zijn vrouw en aan het eind van de dag een vervanging vindt voor de zoon die hij ooit heeft verloren. Maar het was ook een stilistisch experiment waarmee Joyce de grenzen van de roman verlegde tot een punt waar geen schrijver eerder geweest was. Hij zou die krachttoer herhalen in 1939, met Finnegans Wake, een orgie van Europese talen en verwijzingen waarin ternauwernood het verhaal van een kasteleinsgezin in Dublin valt te ontdekken. Maar intussen was de invloed van Ulysses al doorgedrongen tot Italië (De bekentenissen van Zeno van Italo Svevo), Nederland (Mijnheer Vissers hellevaart van S. Vestdijk) en zelfs Amerika (The Sound and the Fury van William Faulkner).

Parallel aan Joyce schreven in het Duitse taalgebied twee grootheden aan hun versie van de Grote Europese Roman: de Oostenrijker Robert Musil (1880-1942) en de Duitser Thomas Mann (1875-1955). Het eerste deel van Musils Der Mann ohne Eigenschaften, een met essayistische uitweidingen doorsneden ideeënroman over de nadagen van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk, verscheen in 1930 en bood een ironische kijk op een Europa dat met de Grote Oorlog aan haar eind was gekomen. Zes jaar eerder publiceerde Mann Der Zauberberg, een kolossale ontwikkelingsroman over een jongen in een Alpen-sanatorium die te lezen was als een knap beargumenteerd pleidooi voor het humanisme en de culturele vorming waarop Europa zich liet voorstaan.

De duizend pagina’s dikke Zauberberg, onlangs opnieuw vertaald door Hans Driessen, beschrijft de karakterontwikkeling van Hans Castorp. Drie weken heeft de 23-jarige ingenieur uit Hamburg uitgetrokken voor een bezoek aan zijn tuberculeuze neef in Davos; hij zal er zeven jaar blijven, want eenmaal in de onwezenlijke kalmte van de bergen verliest hij alle gevoel van tijd. Onderworpen aan een strak regime van maaltijden, ligkuren en oeverloze gesprekken, verandert Hans van een naïeve jongeman in een mens van de wereld. Hij voert gesprekken met de Italiaanse humanist Settembrini en de reactionaire jezuïet Naphta; hij wordt hopeloos verliefd op het Russische jongensmeisje Clawdia Chauchat; hij leert drinken en praten van de Hollandse bon vivant Mynheer Peeperkorn. Met de meeste mensen in zijn omgeving loopt het niet al te best af, maar zelf is hij uiteindelijk perfect gebildet. In een epiloog zien we hem terug in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog – een laatste staaltje van de ironie waarin Mann grossiert.

Der Zauberberg was niet de eerste Grote Europese Roman uit de wereldliteratuur; laten we A Tale of Two Cities, Oorlog en vrede en De brave soldaat Svejk niet vergeten. Maar hij was gelukkig ook niet de laatste. Geslaagde pogingen van onder anderen Woolf (Mrs Dalloway), Céline (Voyage au bout de la nuit), Boon (De Kapellekensbaan), Yourcenar (L’oeuvre au noir), Grossmann (Leven en lot), Grass (Der Butt) en Mulisch (De ontdekking van de hemel) zagen de afgelopen eeuw het licht. En in de eenentwintigste eeuw waren er voorbeelden van W.G. Sebald (Austerlitz), Jonathan Littell (Les Bienveillantes), Umberto Eco (Het kerkhof van Praag), et cetera. Zolang er een Europa is, komt aan het schrijven van de Grote Europese Roman nooit een eind.