Seksualiteit tussen oké en niet oké

Op basisscholen is seksuele voorlichting niet standaard. Ook omdat veel ouders er niets van willen weten. Pas als er iets gebeurt, worden de experts erbij gehaald.

Illustratie Sebe Emmelot

Seks op de basisschool, dat is het onderwerp op de zolder van een restaurantje in Eindhoven. Wat moet een leerkracht doen als een kleuter tijdens het voorlezen steeds met zijn hand in zijn broek zit, is de vraag aan de ongeveer twintig aanwezigen uit het onderwijs. Of als leerlingen vragen wat ‘masturberen’ is en of ze dat zelf ook doet.

Een juf van groep 7 ziet haar leerlingen obscene bewegingen maken, ontleend aan het filmpje van de hit Gangnam Style. En een jongen zei in de pauze tegen meisjes dat hij zijn hand in hun onderbroek zou steken als ze niet zouden doen wat hij zei. Ze weet niet wat ze daarmee aanmoet. De directeur ook niet. Haar school doet nog niets aan seksuele vorming.

Sinds 1 december moeten basisscholen kinderen leren „respectvol om te gaan met seksualiteit en met diversiteit binnen de samenleving, waaronder seksuele diversiteit”, aldus het nieuwe ‘kerndoel 38’ voor het basisonderwijs. Dit houdt in dat basisscholen op een of andere manier ‘relationele en seksuele vorming’ moeten gaan geven. Nog lang niet alle scholen doen dat. Veel scholen beperken de lessen, als ze die al geven, tot groep 7 en groep 8. Jaarlijks doen ongeveer 350 van de ruim 6.500 basisscholen mee aan de ‘Week van de Lentekriebels’ in maart, een campagne op basisscholen rond relaties en seksualiteit.

Niet veel leerkrachten zijn opgeleid om het vak te kunnen geven. Op de lerarenopleidingen (pabo’s) is het hoogstens een keuzevak. Op de bijeenkomst in Eindhoven, van ‘kenniscentrum seksualiteit’ Rutgers WPF, wordt een nieuwe lesmethode voor pabo-studenten gepresenteerd: ‘Juf doet u ook aan seks?’ Maar ondanks het bijgeleverde gratis vijfgangendiner zijn slechts vijf van de aangeschreven 45 pabo’s gekomen, evenals bij een eerdere avond in Zwolle. Een soortgelijke ‘proeverij’ in Leiden werd wegens gebrek aan belangstelling afgelast.

GGD’en, die in opdracht van gemeenten scholen informeren en adviseren over onder meer seksuele gezondheid, merken dat veel basisscholen zich pas met seksualiteit gaan bezighouden bij incidenten. Vaak zijn het ouders die voor escalatie zorgen. Dit jaar werden op twee scholen onder druk van ouders kleuters van school gestuurd na te zijn betrapt op ‘grensoverschrijdend seksueel gedrag’. Het komt ook voor dat ouders meteen de politie bellen of een advocaat inschakelen als ze merken dat er seksuele spelletjes zijn gespeeld.

Wat veel ouders missen, zeggen deskundigen, is kennis van de normale seksuele ontwikkeling van kinderen. „Ouders leren hun kind met veel geduld eten, praten en fietsen, maar seksualiteit bekijken ze opeens met volwassen ogen”, zegt orthopedagoog Elzeline Strijker van GGD Midden-Nederland. „Ze accepteren niet dat kinderen ook daarin nog moeten leren.”

Strijker maakt ouders mee, uit alle lagen van de bevolking, die „gierend uit de bocht vliegen met hun emoties” zodra het over seks gaat. „Ouders die in paniek het kind meteen thuis houden en meenemen naar een specialist om te zeggen hoe getraumatiseerd het is. Het kind staat erbij, kijkt het aan, en gaat zich dan gedragen zoals de ouders blijkbaar verwachten: huilen, bedplassen, niet slapen.” Zulke ouders projecteren volgens Strijker hun eigen emoties op hun kinderen, die alleen maar nieuwsgierig zijn naar hun naakte lijf en naar elkaar.

Intussen laten veel ouders wel de seksuele opvoeding achterwege, denkend dat dat pas belangrijk wordt aan het einde van de basisschool. „We zien dat veel kinderen niet weten wat seksueel ontoelaatbaar gedrag is”, zegt Ineke van der Vlugt, programmacoördinator seksuele ontwikkeling en opvoeding bij Rutgers WPF. „Sommige kinderen hebben daar nog niets van meegekregen. Dit vraagt iets van scholen. Ouders bij elkaar halen en het gesprek aangaan: waar ligt onze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid?”

Het Vlaams expertisecentrum voor seksuele gezondheid Sensoa constateerde enkele jaren geleden dat ook professionele begeleiders van kinderen slecht op de hoogte waren van de normale seksuele ontwikkeling. Gezondheidspsycholoog Erika Frans van Sensoa ziet een „pedagogisch vacuüm” op dit gebied. „Elke opvoeder moet in staat zijn met kinderen in gesprek te gaan over wat wel en niet oké is. Als je werkt met groepen kinderen, moet je hen kunnen beschermen tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag van andere kinderen.”

Kinderen zijn in staat elkaar ernstig seksueel te misbruiken, weet psychologe Martine Delfos, die veel slachtoffers heeft behandeld. „Bij doktertje spelen willen jongetjes nog weleens een potlood in de vagina zetten. Ze willen weten hoe diep het is. Je kunt niet zeggen dat dat ongezond gedrag is, maar het is voor een meisje vaak vreselijk om mee te maken. Kinderen moeten leren dat dat niet kan.”

De seksualisering van de samenleving maakt de noodzaak tot sturing alleen maar groter. Terwijl kinderen vroeger zelf op zoek moesten naar informatie over seks, worden veel kinderen er nu al op jonge leeftijd mee geconfronteerd. Denk aan de acht- of tienjarige met een eigen tv die stiekem kijkt naar het BNN-programma Spuiten en slikken. Of dit ook leidt tot meer ontoelaatbaar gedrag is nooit goed onderzocht. Wel is het lastiger te achterhalen waar afwijkend gedrag vandaan komt, zegt Delfos. Vroeger was het een onmiskenbaar signaal van seksueel misbruik als jongetjes elkaars piemel likten. Nu kunnen ze het ook ergens hebben gezien.

Sensoa ontwikkelde een systeem om onderscheid te maken tussen normaal seksueel gedrag van kinderen en gedrag dat bijsturing vereist. Het staat bekend als ‘vlaggensysteem’. De definitie van ‘normaal seksueel gedrag’ baseerde Sensoa op een lijst met gedragingen die voorkwamen bij ten minste 20 procent van alle kinderen. Kort gezegd is seksueel gedrag volgens Sensoa gezond als er geen dwang of overreding bij komt kijken, als de kinderen een gelijkwaardige positie hebben (bijvoorbeeld ongeveer even oud zijn), als alle deelnemers er plezier aan beleven en als het gedrag past bij de leeftijd. Verder moet het gedrag geen aanstoot geven in de omgeving (thuis kan meer dan op school) en niet het zelfrespect van het kind ondermijnen. Het systeem formuleert ook hoe opvoeders kunnen reageren, van bekijken en benoemen tot verbieden, straffen en doorverwijzen. Het voorziet in een grote behoefte, ook in Nederland.

Waarom hebben veel volwassenen bijna vijftig jaar na de seksuele revolutie zo’n hulpmiddel nodig? En waar komen de heftige reacties op seksincidenten met kinderen vandaan? Uit onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de mensen zelf ervaring heeft met enige vorm van ongewenste seks. Dat kan een rol spelen, denkt Erika Frans van Sensoa. Martine Delfos, die verschillende boeken over seksuele voorlichting schreef: „Seksualiteit is in ieders leven een ingewikkeld onderwerp. Dan durven mensen er ook niet makkelijk over te praten.”

De seksuele revolutie heeft dit volgens haar niet verbeterd. Integendeel misschien. „De boodschap van de seksuele revolutie was: alles moet kunnen en je mag er niet preuts over zijn. Preuts was heel erg verkeerd. Een vrouw schreef me eens hoe haar man in die tijd masturbeerde in het bijzijn van de kinderen, om te laten zien hoe het moest. Ze vond dat vreselijk, maar had niets gezegd omdat ze bang was preuts te worden gevonden.” Wat uit het zicht raakte, zegt Delfos, was het verschil tussen ‘oké’ en ‘niet oké’.

Op de pabo in Deventer staat het vak seksuele vorming voor drie studiepunten op het rooster. Eerst was het verplicht, nu is het een populair keuzevak. Docent natuuronderwijs Gert Talens oefent situaties met zijn studenten, vertelt hij op de bijeenkomst in Eindhoven. Twee kleuters, een jongen en een meisje, spelen doktertje in de huishoudhoek. Eerst hebben ze al hun kleren nog aan, dan alleen nog hun onderkleren en op het laatst niets meer. Hoe ver mogen ze gaan? Tot aan de onderbroek, vinden bijna alle aanwezigen. Een vrouw vindt een ontbloot bovenlichaam ver genoeg.

Kwesties als deze leiden op scholen tot heftige discussies, zegt docent Frank van Herwaarden van de Marnix Academie in Utrecht. „Ze hebben het bij dit onderwerp vaak over de interculturele verschillen. Mijn ervaring is dat je de grootste verschillen ziet tussen Nederlanders, ook binnen één schoolteam. Sommigen vinden dat je er niet over hoeft te praten. Anderen vinden dat je kinderen erin mee moet nemen.”

Voor terughoudendheid kan ook iets te zeggen zijn, zegt Gert Talens. Een hulpverlener wees hem op ‘het recht op eigenheid’. „Misschien zijn er facetten die je niet moet bespreken, omdat kinderen ze zelf moeten ontdekken.” Talens wil pabo-studenten vooral bewust maken van de verschillende meningen en moralen, zodat ze er in overleg met hun schoolteam een weg in kunnen vinden.

Met het nieuwe ‘kerndoel 38’ verplicht de regering basisscholen na te denken over seksuele vorming. Wat ze eraan doen wordt overgelaten aan de scholen zelf, die al een zwaar curriculum hebben met zo’n veertien andere vakken. Veel docenten zijn bang voor gegiechel in de klas en voor lastige vragen van kinderen. De ondersteuning van de GGD (in de vorm van voorlichting, advies, lesmateriaal) loopt op veel plaatsen terug door gemeentelijke bezuinigingen. GGD Midden-Nederland, dat werkt voor 25 gemeenten, kreeg vorig jaar een korting van 5 procent en gaat verzoeken van scholen komend jaar eerst voorleggen aan gemeenten, zegt manager Dieuwke Vos. „Wij vertellen gemeenten waar scholen mee worstelen en leggen uit wat we kunnen doen. De gemeenten moeten dan bepalen wát we gaan doen en er geld voor vrijmaken.”

Scholen aarzelen vaak ook omdat lang niet alle ouders erop zitten te wachten. Volgens Ineke van der Vlugt van Rutgers WPF blijkt bij doorvragen meestal dat ouders niet willen dat hun kinderen worden geconfronteerd met geslachtsgemeenschap voor ze eraan toe zijn. Ouders weten niet dat het vak ‘relationele en seksuele vorming’ op kleuterniveau gaat over iemand leuk vinden, bloot zijn, het verschil tussen jongens en meisjes, en door de leerjaren heen steeds is afgestemd op het niveau van het kind. Condooms en andere anticonceptie komen pas in de hoogste groepen aan bod.

De school van docent Era Kling (groep 1/2) hield een enquête onder ouders en schafte pas een lespakket aan toen bleek dat ouders aandacht voor seksuele vorming zouden waarderen. Kling vindt het belangrijk al in groep 1 met de lessen te beginnen. „Zo gauw kinderen naar de peuterspeelzaal gaan of naar de basisschool, staan ze in relatie tot anderen. Er zijn kleuters die heel kusserig zijn. Je ziet weleens dat een kind daar niet van gediend is. Wij leren hen te zeggen: hou op, dat vind ik niet fijn.”

Merkt zij dat seksuele spelletjes veranderen? „Nou ja, kinderen gaan weleens spontaan op elkaar liggen. In de gymzaal bijvoorbeeld, als er stoeimatten op de grond liggen. Dan zijn ze in ondergoed. Dan zeg ik: als één kind het niet leuk meer vindt, houden we op.” En waar ligt de grens? „Als een bepaald kind ons opvalt in gedrag zijn we daar wel alert op. Kinderen die vaak een rijdende beweging maken bijvoorbeeld. Of die heel veel met hun handjes in hun broek zitten. Maar voor jongetjes is dat op die leeftijd interessant. Dat voelt gewoon lekker. Ik zeg dan: straks zit je weer aan een puzzel, dat is niet zo fris. Of ik spreek af: als ik naar je knik, haal je je hand weer tevoorschijn.”

GGD Midden-Nederland hoopt dat alle scholen aan seksuele vorming gaan doen vanaf groep 1. Dat voorkomt wellicht ook dat jongeren op de middelbare school nog bijna van niets weten, zoals nu vaak het geval blijkt te zijn, vooral in de zogeheten ‘lagere sociaal-economische groepen’. „En misschien moeten basisscholen een keer per twee, drie jaar een ouderavond organiseren”, zegt Elzeline Strijker. „Mijn ervaring is dat ouderavonden over dit onderwerp heel goed worden bezocht.”