Raad van State: hypotheeklimiet niet afdwingen

De Raad van State vindt verlaging van het hypotheekbedrag tot de werkelijke waarde van de woning niet nodig. Die beperking, bedoeld om te voorkomen dat huizenbezitters zich onnodig in de schulden steken, moet geregeld worden tussen huizenkopers en banken, en niet opgelegd worden door de minister van Financiën.

Dat schrijft de Raad in een advies over het ‘Wijzigingsbesluit financiële markten 2013’. Banken verstrekken nu hypotheken tot 106 procent van de werkelijke huiswaarde. Dat moet volgens het kabinet in zes jaar tijd worden terug gebracht naar 100 procent van die waarde. Die moet blijken uit de koopovereenkomst, een akte van levering of een veilingakte.

De maatregel kan in de praktijk betekenen dat huizenkopers extra kosten, zoals die voor de notaris of de makelaar, op een andere manier moeten financieren – bijvoorbeeld met een duurdere vorm van krediet dan een hypotheek.

De Raad noemt die maatregel een ‘vergaande’ overheidsinterventie. „Hypotheekverstrekkers moeten nu al rekening houden met de eisen die voortvloeien uit hun zorgplicht.”

Met de maatregel krijgt de overheid volgens de Raad te veel invloed op contracten tussen private partijen. Volgens de Raad zullen de maatregelen bovendien verdere prijsschommelingen op de woningmarkt niet kunnen voorkomen: „De bijdrage aan het bereiken van financiële stabiliteit zal daarom beperkt zijn.”

Ook de in hetzelfde wijzigingsbesluit opgenomen invoering van een algemene ‘bankierseed’ voor bankpersoneel gaat volgens de Raad te ver. Zo’n verplichte eed kan volgens de Raad wel passend zijn voor bestuursleden en de top van financiële instellingen. Dat is overigens al eerder bij wet vastgelegd.

Terecht, volgens de Raad, omdat het in dat geval gaat om de beleidsbepalers die beschouwd kunnen worden als de ‘personificatie’ van de onderneming. „Een eed vormt dan een versterking van de wettelijke verplichtingen die op de onderneming rusten.” Maar het is vervolgens aan ondernemingen zelf om normbesef in de rest van de organisatie te stimuleren. De overheid moet dat niet opleggen. Want werknemers in de financiële sector maken geen deel uit van het publiek gezag.

Het kabinet wil de maatregelen al begin volgend jaar van kracht laten zijn. Maar volgens de Raad zijn die in het wijzigingsbesluit zo slecht gemotiveerd dat het kabinet er beter aan doet om geen verdere besluiten meer te nemen, totdat wel is voldaan aan die onderbouwing.