Morris’ missie

John G. Morris (96) heeft, sinds hij de eerste directeur was van Magnum, niets verloren van zijn engagement . ‘Ik wilde de wreedheid van de oorlog laten zien.’

Portret van de Magnum-leden in 1957. Achterste rij, links: Inge Morath, vierde v. rechts: Elliott Erwitt. Middelste rij, tweede van rechts: Cornell Capa (broer Robert Capa) en rechts Henri Cartier-Bresson. Voorste rij links: Eve Arnold. Op de grond: Burt Glinn en rechts John G. Morris. Foto Bert Stern, courtesy John Morris

W ell, hm, ja.” Langzaam bladert John G. Morris (96) door de beelden op zijn computer in zijn Parijse appartement. En dan: „Ik ben toch wel enthousiast over deze foto’s.”

Omringd door kasten met honderden fotoboeken kijkt de voormalige chef fotografie van Ladies’ Home Journal en The New York Times naar een aantal beelden die Magnum-fotografen het afgelopen jaar maakten in Syrië, Congo en New York. „Sinds de oprichting in 1947 is Magnum enorm veranderd. Ik ken lang niet alle fotografen meer, hun werk is vrijer en commerciëler geworden. Maar als ik deze foto’s zie, sluit hun blik nog steeds aan bij de humanistische visie waarmee het agentschap begon.”

Het inmiddels wereldberoemde agentschap Magnum Photos, dat op 22 mei 1947 werd opgericht door de fotografen Robert Capa, Henri Cartier-Bresson, David ‘Chim’ Seymour, George Rodger en William Vandivert, draaide destijds vooral om oorlogsverslaggeving. Morris pakt een boek en toont een beeld dat de Britse fotojournalist George Rodger in 1944 in Engeland maakte: een gewonde Engelse vrouw wordt weggedragen op een brancard, vlak na de inslag van een Duitse V2-raket. „George en ik werkten in de oorlog allebei voor het weekblad Life in Londen. We hoorden die bom inslaan. Ik zei tegen Rodger: pak je camera, ga erheen!”

Voor Morris typeert de foto de geëngageerde fotografie die de eerste Magnumleden destijds voorstonden. „Voor de oprichting in 1947 hadden alle fotografen het zwaar te verduren gehad. Cartier-Bresson was in de oorlog door de Duitsers tot dwangarbeid veroordeeld, en de ouders van Chim waren in Auschwitz omgekomen. Ze zagen fotografie als propagandamiddel voor de geallieerden en streden, via het beeld, tegen antisemitisme en geweld.”

Capa wilde van Magnum Photos een ‘groots’ fotoagentschap maken. Doel was een onafhankelijk fotobureau te zijn, waarbij fotografen zelf bepaalden welke reportages ze maakten, en waarbij het copyright in handen van de fotografen bleef. Morris – die voor Life de foto’s ontwikkelde die Capa in 1944 maakte van de bloedige D-Day-landing op Omaha Beach – werd eind 1952 door Capa gevraagd om als eerste directeur aan te treden. „Bob bood me een jaarsalaris aan van 13.000 dollar, meer kon hij niet bieden.” Morris grinnikt. „Magnum had geen geld, daarom werd ik juist ingehuurd. Ik moest er zelf voor zorgen dat ik dat jaarsalaris bij elkaar zou verdienen.”

Ondanks de onzekere omstandigheden besloot Morris op Capa’s voorstel in te gaan. In februari 1953 ging hij aan de slag op het kantoortje van Magnum in New York. „We were a band of brothers. We hadden een kleine staf, er was geen geld, geen pensioen, niks. De deal was: 70 procent van de inkomsten was voor de fotograaf, 30 procent voor het agentschap. De sterke fotografen steunden de zwakkeren.”

Afgezien van de vaste leden waren er ook veel freelancers die op de burelen van Magnum rondhingen. „Alles kon. Model en actrice Suzy Parker deed soms een klus voor ons. Zij had van Capa fotografielessen gehad. En voor Sam Shaw, een vriend van Marlon Brando, regelde ik ook wel eens wat. Iedere dag, na het werk, gingen we met elkaar naar het café. We vonden onszelf heel wat: we were the cat’s meow.”

Het agentschap kreeg al snel een zware klap te verduren. Op 24 mei 1954 stapte Capa in Noord-Vietnam op een landmijn. Morris was een van de eersten die het nieuws van zijn dood te horen kreeg. „Ruim een week daarvoor was Werner Bischof, een ander Magnum-lid, in Peru verongelukt. We hadden twee begrafenissen kort na elkaar. Dat was vreselijk.”

In 1961 eindigde Morris’ carrière bij Magnum. Hij bleef als freelancer verbonden aan het agentschap tot hij in 1967 een baan kreeg als chef fotografie bij The New York Times. In 1968 was hij verantwoordelijk voor het plaatsen van de beroemde Vietnamfoto van Eddie Adams op de voorpagina van de krant. Op deze foto is zichtbaar hoe het hoofd van de Zuid-Vietnamese politie een Vietcong-gevangene een kogel door het hoofd schiet. „Ik wilde het Amerikaanse publiek wakker schudden en de wreedheid van de oorlog in Vietnam laten zien. Adams kreeg een Pulitzer-prijs voor die foto. Maar de plaatsing betekende het einde van onze vriendschap. Adams had begrip voor de politiechef omdat zijn slachtoffer zelf burgers had vermoord. Hij vond dat de foto te eenzijdig het verhaal over de oorlog vertelde.”

Get the picture

Vanwege Morris’ uitzonderlijke levensloop, besloot de Ierse documentairemaker Cathy Pearson drie jaar terug een film over zijn leven te maken. Begin deze maand woonde Morris in Londen de première bij van Get the Picture.

De film gaat ook in op Morris’ persoonlijke leven. Zo is hij te zien, wandelend door Parijs, met zijn nieuwe vriendin, de 87-jarige Pat Trocmé. „We’re having a ball. Elke dag moeten we wel ergens hard om lachen. Van tevoren waren we nogal zenuwachtig over die film. Met name over onze zoenscène. Ziet het er gek uit?”

Morris vertelt dat hij een ongewoon liefdesleven heeft gehad. „Er zijn wel mannen die drie keer in hun leven trouwen, maar niet zoveel mannen die ook drie keer weduwnaar worden. Ik heb met ieder van mijn vrouwen twintig goede jaren gehad.” Get the Picture laat ook zien dat Morris, ondanks zijn hoge leeftijd, nog altijd politiek betrokken is. Hij is vertegenwoordiger van ‘Democrats Abroad’ [Amerikaanse Democratische kiezers] in Frankrijk. Daarom was hij in september aanwezig op de Democratische Conventie in North Carolina. Hij is een fervent aanhanger van de huidige president. „Obama is een briljant denker. Als hij het deze tweede termijn goed doet, kan hij een van de grote presidenten uit de Amerikaanse geschiedenis worden.”

Toch maakt Morris zich zorgen over het buitenlands beleid van de Verenigde Staten. „Ik ben pacifist sinds de Tweede Wereldoorlog. Amerika heeft een aantal zinloze oorlogen gevoerd. Korea, Vietnam, Irak en Afghanistan – het heeft slechts onnodig leed veroorzaakt.” Hij is ook fel tegen de Amerikaanse inzet van drones [onbemande vliegtuigen] in de strijd tegen het terrorisme. „Met hun V2-raketten veroorzaakten de Duitsers ook al leed op afstand. Ik stuur nu over de drones brieven naar het Witte Huis.”

Morris hoopt in 2016 honderd jaar te worden. Hoe blikt hij terug op de twintigste eeuw? „Het was vreselijk. Miljoenen levens zijn verspild. En ik vind het pijnlijk om nog steeds mensen te zien opgroeien die niets hebben geleerd. Toch koester ik de hoop dat we het in de eenentwintigste eeuw beter gaan doen. Ik ben nog altijd optimistisch.” Hij grinnikt opnieuw. „Maar ik vraag me soms wel af of ik mijn hoofd niet moet laten onderzoeken.”