Ik ben de zeepbellenprikker

Youp van ’t Hek is 25 jaar columnist van NRC Handelsblad. Voor hij z’n column vrijdagmiddag naar de krant stuurt, leest hij hem altijd eerst aan vier mensen voor. „De lach is vaak de opluchting.”

Nederland, Amsterdam, 10-12-2012 foto: Bram Budel. Wilfried de Jong interviewt Youp van 't Hek aan de keukentafel bij Youp thuis. Beiden zijn collumnist voor NRC, Youp al 25 jaar. Bram Budel

‘Goede koks hebben mij geleerd: je begint met een volle pan, je kookt alles langzaam in, dan komt het pas goed op smaak. Het moet vettig worden wat er op de bodem overblijft. Dat kost tijd. Soms schrijf ik twee uur, soms wel vier uur aan een column. Als ik er genoeg aan heb gekloot en de tekst misschien wel tien keer ben doorgelopen, lees ik hem via de telefoon aan vier mensen voor; aan een vriend, aan mijn manager, dan aan iemand van kantoor en van de uitgeverij. Ze weten het al jaren: vrijdagmiddag belt Youp.

„Als er tijdens het voorlezen een paar keer gelachen wordt, vind ik het fijn. De column hardop doen, dat levert altijd iets op. Dan merk ik pas dat het woord ‘onmiddellijk’ er twee keer instaat. Of ‘muts’. Het is timing, finetuning. Mijn manager voegt vaak nog iets toe omdat hij – net als ik – een krantenlezer is en nog meer feiten heeft over iemand. Mijn redactrice luistert weer heel taalkundig. Pas als alle vier de mensen de column gehoord hebben, stuur ik hem naar de redactie. En die hebben ook altijd nog wel een vraagje.

„Ik denk dat ik de week van de lezers goed onder woorden kan brengen. Zoals laatst met de dood van die grensrechter. Ik heb zelf 15 jaar gevlagd in het amateurvoetbal. Ik ken de sfeer op de velden van Buitenboys en Almere – voetbalclubs die je tomtomtom niet kan vinden. Ik ken ook al die gewone mannen zoals Richard Nieuwenhuizen. Dat gevoel moet in mijn column zitten. Hoe schrijf je het op? Het vlaggetje moet halfstok, stond er. Bijna te vet. Ik twijfelde toen ik het overlas, maar liet het toch staan. Op dat moment ben ik de vertegenwoordiger van de boosheid. Het is zorgvuldig zoeken naar de juiste woorden. Ik heb gemerkt dat als je een woord als ‘lul’ uitspreekt en iemand aankijkt, het minder hard overkomt dan in een geschreven column. Op papier blijft ‘lul’ langer hangen, het plakt beter. Dat is het verschil tussen spreek- en schrijftaal.

„Die toestand rond Friso en hoe NRC erover schreef, daar heb ik een stevige column over gemaakt. Ik had zo verschrikkelijk gelijk. Hoofdredacteur Peter Vandermeersch en ik hebben die aanvaring uitgepraat en daarmee was het klaar. Dat is de reden dat ik voor NRC schrijf. Ik ben het vaak niet eens met wat erin staat, maar je kunt er met de krant wel discussie over voeren. Vandermeersch heeft me bij die column over Friso van tevoren gebeld. Hij zei: ‘Ik heb hem geplaatst.’ Dat doet-ie anders nooit. Maar hij snapt ook wel dat als de column niet in NRC had gestaan, hij de dag erop toch de wereld was ingegaan, bij Pauw & Witteman of De Wereld Draait Door.

„Vijfentwintig jaar geleden kwamen er twee sportredacteuren van de krant langs. Ze vroegen of ik een sportcolumn wilde schrijven. Heb ik een tijd gedaan. Na een jaar of zes wilde ik wel een keer van die sport af; ik was de klok rond. Dus ik gooi een balletje op bij de toenmalige hoofdredacteur Ben Knapen. „Op maandag, op pagina twee?”, zei hij. Ik heb toen met een soort arrogantie gezegd dat ik meer aan de achterkant van de zaterdagkrant dacht. Jan Kuitenbrouwer stond toen nog op die plek. Daar zag ik niet tegenop. „Dan bellen we Jan af, zeiden ze.”

„Kuitenbrouwer heeft daarna nog wel een paar heel lelijke columns over me geschreven. Vind ik oké, hoor. Het was allemaal bluf van me, in die tijd. Die krantenwereld was nieuw voor mij. Ik herinner me een eindredacteur die me opbelde en vroeg wie toch die René Frogé was over wie ik schreef. Froger, deftig op zijn Frans uitgesproken. Die man had er nog nooit van gehoord. Ik ben in al die jaren nooit op de redactie in Rotterdam geweest. Ja, één keer, op een borrel, tevens mijn laatste. Niks voor mij. Het is prettig om afstand te bewaren.

‘Ik weet nog waar de eerste column over ging. Een oude kennis van school had net zijn zoon naar een beroemde voetballer vernoemd. Marco. Hij was Ajacied. Hij had die naam bij de gemeente aangemeld, maar zijn vrouw vond het maar niks. Dus die jongen heeft toen een andere naam gekregen. Die kennis is een half jaar geleden overleden. Ik was op de begrafenis, hoorde zijn zoon van inmiddels 25 jaar prachtig spreken. Toen moest ik er weer aan denken; goh ja, hij was het onderwerp van mijn eerste column.

„Het is niet zo dat ik mensen onderuit haal, nee, de mensen halen zichzelf onderuit. Neem Bram Moszkowicz. Dat was op een gegeven moment toch een marskramer met tachtig manden op zijn rug? Manden waar hij allemaal door kon vallen. Lance Armstrong, ook zo’n geval. Iemand die zeven keer de Tour de France wint, dat geloof je toch niet? Hebben we daar niet onbedaarlijk bij zitten tukken?

„Of wantrouwen voor mij een motor is? Ja. Mijn vader is geboren in de Jordaan, hij had een Amsterdamse inslag. Over rijkdom werd bij ons thuis altijd grappig gedaan. Je moest jezelf niet opblazen. Altijd vanaf de straat naar de wereld kijken. Gewoon blijven doen. Als columnist observeer ik. Ik doe aan demasqué, dat kan ik ook makkelijker doen dan een journalist. Daarom heet het ook een cursiefje, het is niet meer dan dat. Al ben ik wel vereerd dat lezers op zaterdag vrij snel de krant omdraaien. Dat is de reden waarom ik het zo bloedserieus neem. Ik wil heel veel gelezen worden. Eens of niet met me eens, dat maakt me niet uit. Mijn vader zei dat ik niet middelmatig moest worden. Ze moesten het over me hebben, ik moest tegenstanders hebben.

„Er zijn zoveel mensen die mij niet leuk vinden, waar ik dan weer trots op ben. Ik kwam laatst een man tegen die me toevertrouwde: ‘Mijn zwager, die háát jou echt.’ En toen zag ik die zwager. Ha. Wat zou ik het erg gevonden hebben als die man mij leuk had gevonden. Als je maar iets losmaakt, daar gaat het om. Ik moet de lichtheid van het bestaan kietelen. Mensen aan het lachen maken. Ik ben zoals de nar van een koning uit de middeleeuwen die zegt: stel je niet zo aan.

„Leven zonder een grap zou ik niet goed kunnen, nee. Grappig zijn is trouwens veel moeilijker dan serieus zijn. Ik ken veel serieuze mensen en eerlijk gezegd heb ik daar altijd kutavonden mee. Het is heel erg in de wereld, verschrikkelijk zelfs, maar je moet er met één oog een beetje schuin naar kijken. Dat lucht op. Ik vind de grap interessanter dan het serieuze, ja.

„Natuurlijk vergaat het lachen me wel eens. Als ik een telefoontje krijg dat er iemand dood is, probeer ik binnen een kwartier te zijn waar ik dan moet zijn. Maar als ik er dan ben en het is onomkeerbaar – ik ben God niet, dus levend krijgen we ’m niet meer – dan is het fijn als de zoon van de overledene even heel erg moet lachen. Als iemand dood is, dat is al erg genoeg. Het lijk waar ik verdrietig om ben, daar kon ik ook vaak hard mee lachen. De lach is vaak de opluchting.

„Je zult mij niet horen zeggen dat vroeger alles beter was. Maar het was ook niet slechter. Vroeger was het niet beter, maar geconcentreerder. Alles moet er nu het hele jaar door zijn. Kerstmis begint de dag na Sinterklaas, schaatsen is zo vaak op televisie, die sport is behang geworden voor demente bejaarden. Ik heb een hang naar de periode dat er geen aardbeien zijn. Nu zijn ze het hele jaar te krijgen, waardoor ze niet meer naar aardbeien smaken. Onze kinderen kennen de smaak van een echte aardbei helemaal niet meer. Ze zeggen: wat zeur je nou?

‘Rond de verkiezingen kon ik in elk televisieprogramma zitten. Niet gedaan. Zie ik Maarten van Rossem de hele tijd in beeld, dan vraag ik me af of er bij die redacties van tv-programma’s geen moeheid ontstaat. Of bij mevrouw Van Rossem. Toen Van Rossem begon vond ik hem geestig en nu weet ik het niet meer. Ik zie hem meer dan mijn broer.

„Alles moet sneller. Een man plaatste om even na acht uur op zaterdagochtend een bericht op Twitter: ‘Wat is er Youp, je column staat nog niet op internet?!’ Dat is de versnelling in de wereld om je heen. Weet je dat de wegenwacht tegenwoordig je fiets kan komen plakken. Een lekke band en ze komen meteen langs. Er zijn al 85.000 aanmeldingen binnen. Nou ja.

„Ik laat me door verschillende studenten naar theaters in het land rijden. Het is heel plezierig, ze vertellen me dingen die ik niet weet. Mijn kinderen doen het ook. Ze sparren met me. En mijn nieuwe, jonge regisseur. Ik zie de tendens dat de televisie verdwijnt en dat jongeren geen kranten meer lezen en toch zijn ze van alles op de hoogte.

„Ik zat laatst aan tafel voor eendiner en daar zat een dochter van een vriend van me de hele avond onder tafel te rommelen met haar mobieltje. Het is mijn kind niet, maar ik had wel de neiging om mijn telefoon te pakken en haar te sms’en: ‘En, hoe gaat het nou met jou?’ Ik snap het ook wel. Ik hou de tussenstand van Ajax ook bij op mijn telefoon als ik ergens ben.

„De komst van YouTube heeft ook invloed op mijn manier van leven. Op studentenverenigingen werd ik nog wel eens gevraagd of ik Flappie wilde doen. Dan eindigde ik heel laat bovenop de bar, a capella zingend, met 500 studenten om me heen. Je staat er straalbezopen bij en die studenten ook. Het hoort bij die avond, het gaat ook niemand meer wat aan. Alles wat op dat moment grappig is, pakt op YouTube heel anders uit. Daarom ben je veel meer op je hoede.

„De wereld verandert snel en ik probeer het bij te houden. We dreigen het gewone contact te verliezen. Prima, maar mag ik er als oudere dan wel een grap over maken? Als je grootmoeder vroeger oud werd, nam je ze in huis of je ging drie keer in de week langs. Nu zijn we boos als in het tehuis hun seniorluier niet tijdig verschoond is. Interessant. Het is mijn taak als columnist om die veranderingen te zien. Ik doe het niet beter. Mijn grootmoeder is al dood, trouwens.

„Als ik een imagodeskundige had zou ze vlak voor dit gesprek tegen me gezegd hebben: ‘Youp, vertel dat je voor het schrijven van die column iedere dag zeven kranten leest, inclusief de Herald Tribune, dat je de tekst in een uurtje klaar hebt en dat je de hele dag de BBC hebt aanstaan; dat vindt de NRC-abonnee plezierig om te lezen.’

„Wat ik wil zeggen: er wordt steeds harder gelogen en iedereen doet mee. Oud-journalisten worden persvoorlichters of woordvoerders en ze helpen politici met wat ze moeten zeggen, ze doen hun jasje goed. Ik was een keer te gast bij een talkshow en ik zag een politicus binnenkomen met een groep van negen man. Negen? Wat een wildgroei. Iedereen is op zijn hoede. Ik zit het in mijn eentje te bekijken en breng het aan de orde in mijn stukjes. Ik ben de zeepbellenprikker.

„Ik zou willen vragen: krant en lezers, pak mij de column niet af. Het is een stukje op de zaterdag waar mensen over lullen. Het gaat vaak over de mentaliteit in het land. Over de wereld van de meelopers, de lafbekken, de graaiers die zich graag op een voetstuk laten plaatsen. Er is een soort status om mensen heen die ze zich maar al te graag laten aanleunen.

„Tijdens het schrijven ben ik een man alleen, op zijn zolderkamer. Zonder al te veel luxe om zich heen. Een kleine tv, internet, een computer. Ja, mijn huis ligt op een mooie plek in hartje Amsterdam, ik weet het. Maar het is eenzame verbazing. Ik zie het allemaal als spel.

„Ik ben een solist. Ik kon vroeger al maanden in mijn eentje op pad, in een auto of liftend langs de kant van de weg. Op feestjes zie je me niet veel. Ik kan heel goed in mijn eentje zijn, terwijl ik een heel lawaaiig mannetje ben. Vanuit mijn zolderkamer bekijk ik de wereld. Ik heb het in al die jaren nog nooit als werk gezien. Ik ben de vrolijkste werkloze van het land.”

25 jaar columns: pagina 14-15

    • Wilfried de Jong