Hoezo, snel?

‘Uren, dagen, maanden, jaren / Vliegen als een schaduw heen.’ Rhijnvis Feith laat het ons al ruim twee eeuwen zingen, tegen Oudjaarsdag. Hoe snel de tijd gaat, valt kennelijk vooral eind december op, als we een moment nemen voor reflectie. Alsof de tijd dan, ironisch genoeg, even stilstaat.

Om vanaf Nieuwjaarsdag – of nee, vanaf 2 januari – weer in volle vaart door te razen. Elk jaar sneller, lijkt het. Doordat het leven nu eenmaal sneller gaat als je ouder wordt, zoals psycholoog Douwe Draaisma elf jaar geleden al in zijn bijna gelijknamige boek beschreef. En doordat het leven sneller gaat – punt. Computers, printers, camera’s worden steeds sneller. Het versturen van data gaat steeds sneller. Treinen gaan steeds sneller, vooral die in het buitenland. Mensen gaan steeds sneller praten, vooral Matthijs van Nieuwkerk. Tv-programma’s en films zijn steeds sneller gemonteerd – en toch vertelde een voormalig filmredacteur van deze krant dat hij ondertitelde dvd’s regelmatig op dubbele snelheid afspeelt. Mensen willen steeds meer doen in steeds minder tijd.

Als reactie ontstond ruim tien jaar geleden een slow movement, die ervoor pleit dingen langzaam, zorgvuldig, genietend te doen. Slow cooking. Slow science. Dat was vrij laat – of, heel gepast, slow – want mensen maken zich er al lang druk om dat het dagelijks leven almaar sneller gaat. Zeker sinds de uitvinding van de telegrafie, sinds de eerste spoorlijn, in de eerste helft van de negentiende eeuw. ‘Stomen, stomen, stomen!’, dichtte Nicolaas Beets destijds ironisch. ‘Kerel ben je gek? / ‘k Ben al aangekomen, / Eer ik nog vertrek.’

Eén ding weten we zeker: dat kan niet. Net zoals we niet sneller dan het licht kunnen. Of toch? Deze week staat de wetenschapsbijlage even stil bij snelheid.