Het pesten uitgeroeid, maar tikkertje ook

IIn 2025 is het pesten definitief uitgebannen. Onder aanzwellende druk van de publieke opinie (verontruste burgers die demonstreerden tegen pestpraktijken en de daaruit voortvloeiende zelfmoorden, talkshows met slachtoffers die terugblikten op hun verleden, columnisten die pleitten voor paal en perk) ging de Tweede Kamer in 2018 over tot het aannemen van de Grote antipestwet.

Het leidende idee was dat pesten nergens meer getolereerd zou worden. Hiervoor werd een driesporenbeleid ontwikkeld: serieuze aandacht voor klachten van slachtoffers, lik-op-stuksancties voor de daders en intensieve preventie, de ‘vinger-aan-de-pols-aanpak’.

Het duurde nog even voordat een en ander via de stroperige ketendemocratie zijn beslag had gekregen, maar in 2025 was het dan zo ver: pestvrije scholen. Elke ouder kon zijn kinderen met een gerust hart loslaten in wat voor sociale ambiance dan ook, want er werd gewaakt voor hun psychisch welzijn. Het vak ‘omgangsvormen’ werd een verplichte constante in het schoolcurriculum, van groep één tot en met de universiteit. De rode draad was een totaalverbod op uitsluiten. Geen enkel ander kind mocht voortaan worden uitgesloten om ergens aan mee te doen. Met behulp van kringgesprekken en rollenspelen werd het niet-uitsluitingsconcept op leeftijdsconforme wijze aanschouwelijk gemaakt en ingeprent.

Tikkertje, verstoppertje en andere competitieve spelletjes met winnaars en verliezers werden ontmoedigd op het schoolplein, vanwege het gevaar dat altijd dezelfde kinderen wonnen of verloren. Leraren kregen de dwingende suggestie om niet met rood, maar met groen te corrigeren, omdat wetenschappelijk onderzoek had laten zien dat een rode pen te veel faalgevoelens bij de leerling oproept.

Om de antipestprotocollen (die al decennialang zonder veel resultaat bestonden) in de praktijk stevig te effectueren, was een grootscheepse mentaliteitsverandering nodig: de hoeksteen van het antipestbeleid werd gevormd door een herdefiniëring van het klikken. Om het pesten uit te roeien, zijn autoriteiten nodig die de daders op de vingers kunnen tikken. Om te weten wie je moet straffen, moeten slachtoffers spreken. Om slachtoffers die gelegenheid te bieden, is het nodig dat ze zich vrij voelen. Met andere woorden: een slachtoffer dat een dader aanklaagt, klikt niet, maar openbaart een misstand.

Er gingen nog enige jaren en vele op maat gesneden rollenspelen overheen voordat het gedrag ‘klikken’ in de gewenste richting werd opgewaardeerd en zijn odium verloor. Op dit moment kan veilig worden aangenomen dat kinderen niet meer worden uitgescholden of belachelijk gemaakt door klasgenootjes in de pauze, ook niet op internet, want elk kind weet dat hij of zij veilig aan de bel kan trekken bij de autoriteiten. Ook wordt niemand nog uitgesloten bij verjaardagspartijtjes of bij het touwtjespringen.

Jammer genoeg is er een onvoorzien probleem. Steeds vaker blijken klachten van slachtoffers over pestgedrag leugenachtig van aard. Kinderen poseren als slachtoffer, omdat ze weten dat een pestbeschuldiging de aangewezen route is om een ander kind te vernietigen. In de media verschijnen verhalen over ten onrechte van pestgedrag beschuldigde kinderen die van school verwijderd zijn en nergens meer terechtkunnen. De natie is verdeeld in twee kampen: degenen die zeggen ‘over zoiets ergs [gepest worden] lieg je niet’ en degenen die zich zorgen maken over de uitwassen van het antipestbeleid. Er zijn al twee zelfmoorden geregistreerd van vermeende pesters die naar alle waarschijnlijkheid slachtoffers waren van een valse beschuldiging.

De Tweede Kamer beraadt zich op wetgeving die het leugenachtig aanklagen van pestgedrag strafbaar moet stellen. De wet zal naar verwachting in 2030 worden aangenomen.

Beatrijs Ritsema is columniste.