Familiebedrijf als baken in woelige tijden

Familiebedrijven spelen een belangrijke rol in de economie en doen het in een crisis vaak beter dan andere bedrijven. Waarom zijn ze zo succesvol? En wat zijn de keerzijden?

Ooit de familie Van der Lee uit Oudewater en zijn broers op de voorpagina van de krant horen pochen dat ze al sinds de zestiende eeuw touw maken en dus een betrouwbare leverancier zijn? Of aannemersbedrijf Roozemond uit Stavenisse horen beweren dat ze al sinds 1650 de beste timmerlui van Nederland zijn? Zoals beursgenoteerde en andere grote bedrijven dat zouden doen? Nee; familiebedrijven houden zich verre van de schijnwerpers, zegt Lucien Claessens, directeur familiebedrijven bij Van Lanschot: ,,Er is een enorme bevlogenheid in familiebedrijven. Maar er is geen enkele drang om te communiceren om het communiceren alleen.”

Toch is die bescheidenheid jammer, vindt Claessens, die De waarde(n) van het familiebedrijf schreef, waarin hij de sterke kanten van deze ondernemingen benoemt. Jammer, omdat het familiebedrijf een belangrijke rol in de economie speelt en bijna niemand dat weet. En dus ook weinig ondernemers ervan zullen leren. Hij somt op: familiebedrijven zijn goed voor de helft van de werkgelegenheid in Nederland, ze genereren ruim de helft van het bruto binnenlands product en, last but not least, op de lange termijn presteren ze beter dan niet-familiebedrijven. ,,In tijden van hoogconjunctuur groeien ze minder hard dan niet-familiebedrijven. Ze zullen niet snel veel kapitaal op een verkeerde manier inzetten en bijdragen aan het ontstaan en vervolgens weer klappen van een zeepbel. Daar staat tegenover dat ze in een crisis minder snel door het ijs zakken doordat familiebedrijven minder vreemd vermogen aantrekken.”

Gemiddeld hebben Nederlandse familiebedrijven 20 procent vreemd vermogen. Claessens: ,,Veel familiebedrijven houden niet van lenen, en ook niet van pottenkijkers. Dat maakt hen minder kwetsbaar als het economisch tij tegenzit: er staan niet meteen banken en aandeelhouders op de stoep. Zo hebben familiebedrijven een dempende werking op economische turbulentie.”

Het bedrijfsleven kan nog heel wat leren van familiebedrijven, vindt ook Arjen Brussé, verantwoordelijk voor de family business strategy bij Ernst & Young. Uit internationaal onderzoek van zijn bedrijf blijkt dat 60 procent van de familiebedrijven tot medio 2012, tijdens de crisis dus, minimaal 5 procent groeide. Eén op de zes onderzochte bedrijven groeide zelfs met minimaal 15 procent. Met name de langetermijnvisie van familiebedrijven werpt vruchten af, aldus Brussé. ,,Ze onderhouden een duurzame band met hun klanten en dat helpt in tijden van crisis. Ook met het personeel is er vaak een langdurige band, wat als voordeel heeft dat talent niet zo snel wegloopt. In nogal wat familiebedrijven werken mensen al generaties lang bij de baas.”

Omgekeerd is die trouw er ook: 44 procent vindt behoud van werkgelegenheid het belangrijkste in de crisis. Men teert liever in op het eigen vermogen dan mensen op straat te zetten. Dat heeft als voordeel dat er geen kennis wegvloeit en er geen dure wervingscampagnes nodig zijn als de economie aantrekt. En maakt het bedrijf winst, dan wordt die vooral gebruikt voor verbetering van het bedrijf – niet voor dividend, bonussen of leaseauto’s.

We moeten in Nederland zuiniger zijn op familiebedrijven, vindt Brussé. ,,Dit soort ondernemingen krijgt veel te weinig aandacht. Ze hebben vaak een wat stoffig imago, stralen minder dynamiek uit dan beursfondsen en private equitybedrijven. Ten onrechte, want ze zijn vaak veel stabieler: private equity moet binnen enkele jaren weer verkopen om het geld te kunnen teruggeven aan de investeerders. Dat zijn geen langetermijndenkers. Familiebedrijven wel: zij hoeven niet per se binnen een paar jaar veel geld te verdienen. Dat geeft rust en bedachtzaamheid. Ik zou graag zien dat het langetermijndenken meer ruimte krijgt in de Nederlandse economie.”

Toch is het niet alleen maar hosanna in de familiebedrijven. Er is vaak ook een keerzijde. In een hoogconjunctuur heeft het financieren van de groei met eigen vermogen als nadeel dat je een groeispurt wel kunt vergeten, zegt Roberto Flören, hoogleraar familiebedrijven aan Nyenrode Business Universiteit. ,,Daarvoor heb je vaak grote bedragen nodig. Maar ja, de andere kant is dat familiebedrijven wel minder rente betalen over vreemd vermogen en dus een onafhankelijker koers kunnen varen.”

Flören ziet meer keerzijden. ,,In familiebedrijven blijft de topman vaak wel twintig jaar zitten. In een niet-familiebedrijf is dat maar zeven jaar. Zo’n lange periode geeft stabiliteit, maar ook kwetsbaarheid. Brussé van Ernst & Young herkent dat: ,,Als de topman plotseling wegvalt, dan zit de familie met een groot probleem als er geen opvolger klaarstaat.” Bij de meeste familiebedrijven staat de toekomstvisie niet op papier, maar zit uitsluitend in het hoofd van de directeur-eigenaar. Brussé: “Bij een niet-familiebedrijf trek je gewoon een nieuwe topman aan. In familiebedrijven moet je altijd balanceren tussen het belang van het bedrijf en dat van de familie: is er herrie, dan heeft dat ook zijn weerslag op het kerstmaal.”

Ook potentiële opvolgers zien blijkbaar niet alleen de zonzijde van het familiebedrijf: nergens ter wereld is bij familie zo weinig animo om de onderneming over te nemen als in Nederland. In slechts 10 procent volgt een familielid op. ,,Dat is geen gebrek aan ondernemerszin, maar de beoogde opvolgers zetten liever een eigen bedrijf op”, aldus Brussé van Ernst & Young. Verstoring van de eigen loopbaanplannen en een gebrek aan interesse voor de activiteiten van het familiebedrijf spelen daarbij een grote rol. ,,We proberen klanten er dan ook altijd vroegtijdig toe te bewegen om over opvolging na te denken. Niet als de baas 70 is, maar als hij 40 is. Dan schop je nog niemand tegen de schenen. We laten familiebedrijven bijvoorbeeld vastleggen of er ruimte is voor eigen activiteiten van het kind binnen het bedrijf. Bij grotere familiebedrijven is dat makkelijker dan bij kleine.” Bedrijfsopvolging buiten de familie kan een einde maken aan alle succesfactoren; met gevolgen voor het bedrijf, maar ook voor de werkgelegenheid en de economie.

Maar ook de politiek zou opvolging binnen het familiebedrijf moeten stimuleren, vinden alle deskundigen. Zo zou de belastingheffing bij overdracht versoepeld kunnen worden en zou er in het onderwijs meer aandacht kunnen zijn voor het samenspel tussen familie en ondernemerschap. Van Lanschot wil zelfs een aparte bewindspersoon voor familiebedrijven. ,,Het overheidsbeleid sluit nu niet altijd goed aan op familiebedrijven”, vindt Claessens. ,,De helft van de subsidiemogelijkheden voor innovaties is bijvoorbeeld niet bekend bij familiebedrijven omdat ze soms onvoldoende expertise of mankracht in huis hebben om zich daarmee bezig te houden. Dat beleid richt zich nu vooral op grote ondernemingen. Verder is de belangenbehartiging van familiebedrijven zeer versnipperd; er is geen groot overkoepelend orgaan dat zich daarmee bezighoudt. ” Meer aandacht vanuit politiek en onderwijs, aldus Van Lanschot, zou een welverdiende erkenning zijn voor het enorme belang van het familiebedrijf voor de Nederlandse economie.

Bovenstaande foto’s plus citaten zijn afkomstig uit de rubriek over familiebedrijven die het afgelopen jaar verscheen in deze krant. Vanaf volgende week start de nieuwe rubriek Spitsuur.