Doorlopen!

Sociologie

Mensen die van platteland naar stad trekken, gaan sneller lopen. Hoe groter de stad, des te vlotter de tred.

Het Taksim Plein in Istanbul,Turkije. Een metropool met twee snelheden: druk verkeer naast kalme straatverkopers. Foto Martin Roemers

De mini-restaurateur duwt zijn keukentje op wielen kalm door de stroom ongeduldig toeterende taxi’s, Toyota-busjes en BMW’s. Bankemployees in hemdsmouwen doen, wachtend voor het voetgangerslicht, zaken via hun mobieltje en gaan over in looppas als het licht op groen springt. De sigarettenventer op het trottoir slaat hen gade, onbewogen en bewegingloos.

Kantoormeisjes in vlotte mantelpakjes zien hun bus aankomen en rekenen haastig af met de fruitverkoopster in traditionele dracht: een gebatikte wikkeldoek (kain) en getailleerde blouse (kebaya). Zij telt bedaard het wisselgeld uit, want zij heeft de tijd.

Jakarta is een stad van verschillende snelheden. Sloffende slippers en nerveuze naaldhakken. De vrijdagse slentergang naar de moskee en de zaterdagse race naar de buitenhuizen in de bergen. Veel nieuwe Jakartanen houden nog vast aan het leef- en werkritme van het geboortedorp. Zij worden misprijzend bestempeld als kampungan (dorps) door stadsgenoten die zich intussen hebben aangepast aan het jachtige tempo van de Global Village.

Zulke tempoverschillen zie je in alle metropolen van de snelst groeiende economieën ter wereld: Beijing, Ho Chi Minhstad, Mumbai, Lagos en Rio de Janeiro. Steden die worden bestormd door plattelanders. Omdat de Groene Revolutie de productiviteit zo hoog heeft opgedreven dat er in de dorpen niet meer voor iedereen emplooi is. Of omdat het platteland zo is verwaarloosd dat er geen droog brood meer te verdienen is. Het duurt een generatie voor die dorpse nieuwkomers hun tempo hebben aangepast aan dat van de Grote Stad.

De waardering voor vaart maken is niet zo groot buiten de metropolen van de wereld. Zo luidt een veel gebruikt Javaans spreekwoord ‘Alon-alon asal kelakon’ – vrij vertaald: ‘rustig aan, als het werk maar afkomt’. In wagons van een spoorlijntje in het noorden van India hangt een bordje met het opschrift “‘Fast’ is spelled with four letters; so is ‘life’. ‘Speed’ is spelled with five letters; so is ‘death’.”

En menig West-Indiër zal een Amerikaanse of Europese bezoeker met onbedwingbare kippendrift terechtwijzen met de opmerking: ‘Eh mon, what’s your hurry, nuh? De sea is goin’ no place.’ Er zijn grote verschillen in tijdsbesef en tempo in de Verenigde Staten, een land met veel immigranten uit agrarische gebieden. Zo maken de Mexicanen in de VS een onderscheid tussen ‘hora ingles’ en ‘hora mexicana’, tussen Anglotijd en Mexicaanse tijd.

Toegegeven, dit zijn frappante indrukken, niet mee dan dat. Toch zijn er intussen systematisch verzamelde gegevens over mondiale verschillen in leeftempo. Robert V. Levine, een Amerikaanse sociaal psycholoog verbonden aan de State University of California, doceerde als jongeman aan een Braziliaanse universiteit en kreeg een cultuurschok. De onverschilligheid van zijn studenten voor uur en tijd trof hem zo dat hij onderzoek ging doen naar de verschillen in de snelheid van leven tussen uiteenlopende culturen. Hij schreef er een boek over: A Geography of Time (1998), waarin hij laat zien hoeveel de kijk op tijd en de snelheid van leven verschillen tussen culturen, plekken en mensen.

Wandeltempo

Als een maat voor de snelheid van leven nam Levine het gemiddelde wandeltempo van willekeurig geselecteerde voetgangers over een afstand van 20 voet (ruim 18 meter). Een groot team voerde dit onderzoek in 1994 uit in 31 steden, verspreid over de wereld. Er werd gemeten op ten minste twee plaatsen per stad, in hoofdstraten van het centrum, op vlakke trajecten, zonder obstakels. Ze kozen per stad 35 wandelaars van beide seksen.

Steden in Mexico, Brazilië en Indonesië waren in 1994 het langzaamst; steden in Zwitserland, Ierland en Duitsland waren het snelst. Het wandeltempo in de topdrie lag tweemaal hoger dan in de langzaamste drie. Die uitslag is weinig verrassend, zult u zeggen. De topscorers liggen in de gematigde zone en de trage broeders liggen in de tropen. Levine erkent dat klimaat een factor is die het looptempo beïnvloedt. Maar het is niet de enige, zegt hij. De factor waaraan hij het meeste gewicht toekent is de mate van economische ontwikkeling.

Levine concludeert dat snellere tempo’s nauw verband houden met de economische welstand op ieder niveau: met de economische gezondheid van een land, met de welstand van de gemiddelde burger en met de mate waarin mensen kunnen voorzien in hun basisbehoeften (gemeten aan hun calorie-inname). Levine: “Er is sprake van een wederkerige causaliteit – economische variabelen en tempo neigen elkaar te versterken: ze vormen één pakket.”

Prikklokken

Hoe is dit te verklaren? Het grootstedelijke tempo wordt gedicteerd door de strakke werktijden in fabrieken en kantoren. Nieuwkomers van het platteland worden gedisciplineerd met fabrieksfluiten, prikklokken en sancties op te laat komen. In ontwikkelingslanden gaat dit strenge regime vooral op voor het particuliere bedrijfsleven.

Er blijkt nog een factor mee te spelen: bevolkingsomvang. Met andere woorden: hoe groter de stad, hoe hoger het tempo. De Amerikaanse psycholoog Marc Bornstein van Princeton University en zijn team deden onderzoek naar de samenhang tussen loopsnelheid en bevolkingsomvang in 25 steden in zes landen: Tsjechoslowakije, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Israël en de VS. Ze publiceerden erover in 1979 in het International Journal of Psychology. Het verband tussen bevolkingsgrootte en looptempo bleek zeer sterk. Bornstein repliceerde dit onderzoek later in Ierland, Schotland en (opnieuw) de VS. Weer was de correlatie sterk.

Dit waren momentopnamen; ze zeggen niets over tempoverandering in de loop van de tijd. Daarom besloot de Britse psycholoog Richard Wiseman (Universiteit van Hertfordshire) het onderzoek van Levine te herhalen. In dezelfde steden en met dezelfde onderzoeksmethode.

De uitslagen weken nogal af van de resultaten uit 1994. In tien jaar zijn stedelingen gemiddeld 10 procent sneller gaan lopen. Singapore (5,4 miljoen inwoners) stond in 2006 bovenaan de lijst van snelst lopende steden. De 35 gemeten voetgangers liepen er gemiddeld 6,24 km per uur: 30 procent sneller dan begin jaren negentig. Het Chinese Guangzou (13 miljoen inwoners) is 20 procent sneller gaan lopen: 6,02 km/uur in 2006. Utrecht stond negende met 5,45 km/u. In Manama, de hoofdstad van Bahrein in het Midden-Oosten (150.000 inwoners) liepen de stedelingen kalmpjes: 3,72 km/uur.

Levine krijgt gelijk: het gemeten looptempo volgt de mondiale trend van economische groei. Chinese steden verdringen zich nu in de voorhoede; en Latijns Amerika en Indonesië vormen niet langer de kalme achterhoede. Dat is tegenwoordig het Midden-Oosten.

    • Dirk Vlasblom