Brief over doping in de wielersport

Er zijn nog helemaal geen bewijzen van doping

De rechtsstaat en het wielrennen staan in een wonderlijke verhouding tot elkaar. Waar in een rechtsstaat niemand schuldig is tot wettig en overtuigend zijn schuld is komen vast te staan, geldt dat niet in het wielrennen.

Zelfs een kwaliteitskrant raakt ervan in de war (NRC Handelsblad, 22 december). Nu er ‘bewijzen’ zijn, moeten renners het hele verhaal vertellen – maar er zijn nog helemaal geen bewijzen. Er zijn verklaringen onder ede die stellen dat iemand zich ergens schuldig aan heeft gemaakt. Er zijn getuigenissen van mensen die schuldvermindering ontvingen, in ruil voor verklaringen over derden. Het Usadarapport, hoe indrukwekkend ook, kan de toets der kritiek niet doorstaan. Prof. Kuipers sprak in NRC van wetenschappelijk onvoldoende bewijs.

De KNWU wil de dopingsituatie in Nederland laten onderzoeken en hoopt op medewerking van de renners. Dit is ijdele hoop, lijkt het. Waarom zouden de renners ook? Was de KNWU de organisatie die streed tegen steeds vollere wielerkalenders? Maakte de KNWU zich sterk voor waterdichte dopingcontrole? Welnee! Tegen deze achtergrond kan maar één commissie werkelijk renners uitnodigen om hun verhaal te vertellen: een waarheidscommissie, onafhankelijk van de KNWU. Pas dan worden voorwaarden geschapen waarin de sport zich verder kan zuiveren en een nieuwe start kan maken.

Nu worden er halve beweringen en citaten van anderen over wat die zouden hebben waargenomen voor waarheid aangenomen. Ook de ‘onthullingen’ in NRC Handelsblad over het dopinggebruik in de ploeg van de Rabobank ontstijgen het niveau niet van goed gedocumenteerde verdachtmakingen. Op grond van beweringen hoort in een rechtsstaat – en dus ook in het wielrennen – niet te worden veroordeeld.

Mr. Hans Prakke

Zwolle

    • Mr. Hans Prakke