Bij mij gaat het praten tamelijk natuurlijk

Voormalig NOS-nieuwslezer Joop van Zijl (78) presenteert op 1 januari het Neujahrskonzert van de Wiener Philharmoniker. Dit wordt zijn 29ste livetelevisieverslag uit Wenen. „Ongelooflijk, dacht ik, dat ik in al die huiskamers kom.” tekst foto

Foto Ringel Goslinga

Uitje

„Zo rond Kerstmis ga ik vast naar Wenen. Leuk uitje voor een pensionado. Meestal gaat mijn echtgenote mee. Dit jaar wilde ze niet, we zijn net verhuisd. In Wenen lees ik alle kranten, kijk televisie, loop rond in de stad. Gewoon, het journalistieke voorwerk. Ik gooi altijd wat actueels in mijn liveverslagen. Dat doe ik bij het bloemencorso in Zundert en dus ook bij het beroemdste concert ter wereld. Ik kan wel voor de zoveelste keer vertellen dat Johann Strauss de nu volgende compositie in 1835 schreef voor de zuster van de vriendin van de tsaar, maar dat gaat vervelen. Van tevoren maak ik gerubriceerde lijstjes met wetenswaardigheden. In het jaar dat de rechtse politicus Jörg Haider verongelukt, memoreer ik dat. Ik vertel iets over nazi-jager Simon Wiesenthal die in de zaal zit. En op mijn lijstje ‘scandaleus en privé’ staat iets over de balletdanseres die geposeerd heeft in een blootblad en daarom niet mee mag dansen van de Weense staatsopera.”

Mannequin

„Onlangs waren we 12,5 jaar getrouwd. Een mijlpaal, ik weet nog dat mijn ouders het vierden. Ik heb vrienden die al vijftig jaar getrouwd zijn. Onvoorstelbaar lang. Dit is mijn derde huwelijk. Ik ken haar al vanaf haar achttiende. Maar daar gaat dit gesprek niet over. Wel? Nou, ze werkte als mannequin voor Edgar Vos. Ik heb haar zelfs nog geïnterviewd, op een modebeurs. Jaren later belde ze me op. We spraken af voor de koffie. Hier, bij Keyzer. Je wilt zeker ook weten waar we zaten? Daar, aan dat tafeltje bij het raam. Daarna zijn we nog hiernaast, in het Concertgebouw, naar het gratis lunchconcert gegaan. Muzikaal klikte het ook.”

Nieuw-Guinea

„Na het lyceum wilde ik bij de radio. Eigenlijk vooral omdat ik zo van muziek hield. Mijn moeder speelde viool in een symfonieorkest. Dat was natuurlijk afgelopen toen ze trouwde en mij en mijn broer Hans kreeg. Als ik nou bij de radio ging werken, dacht ik, zou ik dicht bij de orkesten zijn en ze kunnen horen. Ik werd aangenomen bij de AVRO. Maar toen moest ik in militaire dienst. Jongens die in het buitenland werkten, kregen uitstel van de dienstplicht. Dus vertrok ik op mijn negentiende naar Nieuw-Guinea als omroeper en presentator voor Radio Omroep Nieuw Guinea. Voor de Nederlanders die daar woonden. Bij de radio leerde ik interviewen, presenteren en een commentaar van een half uur foutloos inspreken. Radiomensen zijn vaak de beste presentatoren. Het ministerie van Oorlog heeft me trouwens nooit meer opgeroepen.”

Napapegaaien

„Ik blijk te beschikken over een goede microfoonstem. Vroeger had je typische AVRO-stemmen. Een stem die woorden bestrijkt met een suikerlaagje. Gezéllig, opgewekt. Het VARA-geluid was serieuzer: ‘Goedenavond dames en héren, dit is de VÁRA.’ Bij de NCRV klonken de radiostemmen precies en doordacht. Ik kon alles wel zo’n beetje napape-gaaien. Eind jaren 50 deed ik voor het eerst mini-interviewtjes op televisie. Live in AVRO’s weekendshow. Goochelaar Peter Pit was m’n eerste. Ik zat maar met mijn handen te zwaaien en op mijn stoel te draaien. De keer daarop zei ik tegen mezelf: en nou zit je verdomme stil. Ik ben op mijn jasje gaan zitten, handen tussen mijn knieën. Dat was natuurlijk weer te stijfjes. Toen heb ik me me voorgenomen in het vervolg altijd te praten zoals ik zelf praat, en te bewegen zoals ik ben.”

Journaal

„Ik was een jaar of achttien, zat in de trein van Hilversum naar huis en zag door het raampje al die huizen voorbij komen. Ongelooflijk, dacht ik dan, dat ik in al die huiskamers kom. Al die mensen horen mij. Bij het televisiejournaal kwam de presentator pas vanaf 1966 in beeld. Daarvoor werd alleen tekst ingesproken bij de beelden. De AVRO vroeg me een presentatietest te doen. In het witte kerkje in Bussum. Er zaten zeker twintig bloedstollend mooie dames die ook op tv wilden. „Het zou me niet verbazen”, zei de grimeur die me van tevoren schminkte, „als jij de enige hier bent die we terug gaan zien.’”

Loopje

„Ze lópen nu bij het NOS Journaal. Ik ben blij dat ik het niet meer hoef te doen. Dat wordt niks met mijn postuur. Dubbelpresentatie – ook niet aan mij besteed. Ik wil alles zelf in de hand hebben. Als jij mijn medepresentator was, zou ik de hele tijd denken: gaat dat wel goed, duurt het niet te lang? En bovendien, wat doe ik als jij aan het woord bent? Schaapachtig in de camera kijken.”

Luchtzuigers

„Ik stond er altijd om bekend dat ik zo snel teksten kon uitspreken. Vergeleken met de mensen die nu elke avond hun riedel afdraaien stelt het niks voor. Je hebt nu zo’n acteur die elke avond een nieuwsprogramma presenteert, nee, ik zeg niet wie. Niet om aan te horen. Luchtzuigers, die heb je ook veel. Na elke zin hoor je ‘ffft’, en dan praten ze weer door. Totaal gebrek aan uitdrukkingsvermogen. Daar kun je aan geholpen worden. Bij mij gaat het praten tamelijk natuurlijk. Weinig ‘euh’ ertussen. Dat komt ook door het vele improviseren tijdens live-uitzendingen. De begrafenis van Charles de Gaulle [de oud-president van Frankrijk overleed in 1970]. De uitzending duurde van half 10 tot vijf uur. Dan leer je wel doorpraten.”

Bruggetje

„Joop-bruggetje-Van Zijl. Een collega heeft dat eens over me gezegd in een uitzending van het praatprogramma van Jan Lenferink. Later maakte die collega excuses. Hij had een fles slivovitsj op. Ik vond het flauw. Ik zeg toch geen dingen als: ‘de aarde is rond, de bal ook. We gaan nu naar het voetbal’?”

Autocue

„Mart Smeets is een gewaardeerde collega van me. Hij heeft iets tegen de autocue, ja. Maar het Journaal kun je niet presenteren zonder vooraf geschreven teksten, dan ga je zwemmen. Ik schreef mijn teksten altijd zelf. Dubbelde mijn verhaal met het verslag in de reportage? Geen probleem. Horen mensen het twee keer. Het gaat toch het ene oor in, het andere uit. Ik deed ook altijd iets over de eerste sneeuw in Ootmarsum. Kort, makkelijk te begrijpen nieuws. Kunnen de mensen daarna weer luisteren naar de politieke situatie in Noord-Ierland.”

À l’improviste

„Bij liveverslagen doe ik het meeste à l’improviste. Alleen de inleiding, die schrijf ik uit. Het eerste kwartier zit er altijd nog wel een regisseur in je oortje te schreeuwen, en bij je voeten ligt een technicus nog snoeren te verwisselen. Voor het Nieuwjaarsconcert schrijf ik een paar korte zinnen op die ik zo kan afbreken. Dat ik niet halverwege mijn verhaal zit als de dirigent ineens begint.”

Zugaben

„Johann sr. De zoons Eduard, Josef, Johann jr. Mijn favoriete componisten zijn het niet. Hun stukken zijn knap gecomponeerd. Dat zeggen de dirigenten die het Nieuwjaarsconcert dirigeren. En dat zijn niet de minsten. Johannes Brahms, een componist die ik wel hoog heb zitten, vond de Straussen ook geweldig. Het is traditie, hè. Voor de pauze speelt het orkest een snelle polka, een langzame quadrille. En aan het eind altijd dezelfde Zugaben. An der schönen blauen Donau [Johann Strauss jr.] en de Radetzkymars [Johann Strauss sr.].”

Schnabbels

„Mijn vrouw is een echte Amsterdamse. Ik ben met haar naar Hilversum verhuisd toen ik met pensioen ging. Het leek me handig in de buurt van de omroep te wonen voor als ze me nog nodig hadden voor eventuele hand-en-spandiensten. Nu doe ik alleen nog het Nieuwjaarsconcert en het bloemencorso voor omroep Max. Leuke schnabbels. Nu wonen we weer in Amsterdam. Mijn vrouw blij. Ze zegt: in Amsterdam zeg je tegen de barman: Piet, doe mij een biertje. En dan zegt hij: is goed Marie, waar wil je het hebben? In Hilversum zeggen ze: ik heet geen Piet, mevrouw, ik heet Jean-Pierre.”

Oudejaarsavond

„Op oudejaarsavond doe ik niks. Ik kan moeilijk de volgende ochtend dronken achter de microfoon. We nemen altijd de repetitie op Oudejaarsavond op. Voor als op Nieuwjaarsmorgen plots de verbinding uitvalt. Ach, al zonden we het concert van vorig jaar uit. De kijker heeft het vast niet door. Iedereen is slaperig.”