Zo anders ben ik echt niet

Hunter Davies (red.): Lennons brieven. Vert. Rob de Ridder. Spectrum, 400 blz. € 25,– ****

‘Dank u voor het boek dat u me heeft gestuurd voor Kerstmis en voor de handdoek met mijn naam erop’, schreef John Lennon in 1951 – op zijn tiende – aan zijn tante Harriet. ‘En volgens mij is het de beste handdoek die ik ooit heb gezien.’ Het is het eerste (en oudste) van de 285 brieven, briefjes, krabbeltjes en getypte epistels die journalist Hunter Davies heeft verzameld in de bundel Lennons brieven.

Maar staat hier ook wat er staat? Davies denkt van wel: ‘Ik ben ervan overtuigd dat hij het meende.’ Zo zeker is dat niet. Lennon kon een pestkop zijn, ook op jeugdige leeftijd – en zijn prijzende woorden over die handdoek lijken net iets te overdreven om oprecht te zijn. Zouden we hierin niet veeleer een vroege vorm van ironie, ja zelfs van sarcasme moeten zien?

Wat de schrijver heeft bedoeld, is ook bij diverse andere missiven de vraag. Maar een schilderachtige verzameling is het wel, van beredeneerde brieven tot snelle kladjes, van grappen tot boodschappenlijstjes.

Met veel speurzin annoteert Davies – auteur van de gerenommeerde Beatles-biografie Shout! – alle schrijfsels die hij uit tientallen bronnen bij elkaar kreeg. Ze staan in Lennons brieven bijna allemaal in facsimile afgedrukt, met daarnaast de door Rob de Ridder in het Nederlands vertaalde tekst.

Dit is geen dartel koffietafelboek vol vormgeversvondsten. De enige speelsheid komt van de brievenschrijver zelf, die zijn schrifturen graag opluisterde met getekende zelfportretjes, lijntjes, pijltjes en ander visueel variété. Overigens verdient de vertaler ons aller medeleven. John Lennon was een maniakaal woordspeler. Veel namen, woorden en uitdrukkingen kon hij niet ongemoeid laten. Met als resultaat dat de stad Hamburg, waar de Beatles hun eerste successen boekten, al gauw is verbasterd tot Hitlar. En dat zo’n beleefdheidsfrase als best wishes in een van zijn brieven verandert in dressed fishes.

Wat steken we er van op? Toch weer heel wat, hoewel Lennons psyche al danig is onderzocht in minstens drie gedegen biografieën. Het lezen van de brieven en kaartjes creëert een nabijheid die geen biograaf kan evenaren. Waardoor het beeld van de man des te genuanceerder wordt. Cynisch als hij wordt benaderd door lieden die hij verdenkt van eigenbelang. Genereus en hartelijk als hij iemand te hulp wil schieten.

Het verrassendst, in hun welgemeende aanhankelijkheid, zijn de brieven aan tantes, ooms, nichten en neven die hij in latere jaren schreef, toen hij met Yoko Ono in New York woonde. Ver weg, maar niet te ver: ‘Het is moeilijk te aanvaarden voor me dat jullie allemaal denken dat ik zo „anders” ben... Ik ben nooit „onbenaderbaar” geweest... alleen mijn „image”, „beroemdheid” enz. is tussen mijn familie en mij in komen staan... het is ONWERKELIJK, nou ja... kan het ons schelen.’