We zeilen naar de wind

Nooit over nagedacht: hoeveel gedreun de Slag bij Waterloo in 1815 opleverde. We lezen het egodocument Weest wel met alle menschen. De Kaapse brieven van Cornelis de Jong van Rodenburgh. De Jong ziet bij zijn boerderij in Vught bosarbeiders hakhout opschonen. Plotseling liggen ze met één oor op de grond. De Jong volgt hun voorbeeld en nu hoort hij zelf het donderend geweld van Napoleons laatste veldslag.

Eerder in dezelfde egodocumentenreeks verscheen de aandoenlijke autobiografie van de Haarlemse schoolmeester Willem van den Hull, die noteert dat de lakens aan de waslijn zwart worden van de kruitdamp, die in december 1832 vrijkomt bij de belegering van de Citadel van Antwerpen. Alleen al zulke waarnemingen maken dit type teksten zeer de moeite waard.

Cornelis de Jong van Rodenburgh schreef van 1815 tot 1828 een enorme hoeveelheid vaak lijvige brieven aan zijn dochter, die door de echt in Zuid-Afrika terecht was gekomen. Hij had toen al een leven op zee achter de rug, tenslotte als kapitein van de Bataafse oorlogsvloot. Vertederend. Op 13 augustus 1799 kwam die zwakke zeemacht tegenover een Brits-Russische invasievloot te liggen, die op weg was naar een landing bij Huisduinen. De Bataafse admiraal gaf zich snel over. Hij en zijn kapiteins waren zo verstandig een tijdje in Engeland te blijven wonen. De Jong echter kon zijn vrouw niet missen en voer terug naar Holland, waar hij onmiddellijk werd gearresteerd en net niet ter dood werd veroordeeld.

Rentenier

Varen zat er niet meer in voor hem, hij schreef over zijn koopvaardijperiode een driedelige Reizen naar de Kaap de Goede Hoop (1802), werd boer en later rentenier te Den Haag. Weest wel met alle menschen bevat de door Carla van Baalen en Dick de Mildt bezorgde brieven aan zijn ‘gekaapte’ dochter. Zijn oogappeltje, hij mist haar innig, en voorziet haar van uitvoerige adviezen. Waarin we de kapitein terugvinden. Het leven is zeilen naar de wind, zegt hij ergens. Maak gebruik van een flinke bries, wees behoedzaam bij blakstilte of storm.

Natuurlijk bevatten brieven als deze een hoop familie-informatie die we maar op de koop toe moeten nemen. Op bezoek geweest bij deze tante of gene oom, hoe het is met die of die. Maar De Jong is de minste niet en loopt rond in de hoogste kringen, tot en met het hof. Daarbij kan hij bijzonder helder schrijven, dus onaangenaam wordt het voor de lezer nergens.

Met Oranjevorst Willem I heeft hij aanknoping. In een gesprek heeft De Jong eens de lof der stoomvaart gezongen, de koopman-koning denkt meteen aan handels- of krijgsgeschiktheid, en geeft De Jong opdracht een rapport op te stellen waarin hij zijn gedachten op dit stuk eens nauwkeurig uiteenzet. Het wordt na voltooiing doorgezonden naar de minister van Nijverheid, en voor De Jong het weet – en zonder betrokkenheid – wordt de gammele stoomboot Atlas te water gelaten. De Jong: ‘Te smal naar zijn lengte, had geen boeg genoeg, was te scherp en werd krom gebouwd, druipende voor en achter.’ Mooi. Laten we het netjes houden en concluderen dat Willem I niet op alle fronten een bekwaam bestuurder was.

Zwartje

Op de vraag of we in Cornelis de Jong een verlicht man ontwaren is het antwoord onhelder. Hij voorziet dat de slavernij wel eens kan worden afgeschaft, maar correspondeert uitgebreid over welk aan te schaffen zwartje (al dan niet kinderen, leeftijd etcetera). Onderwijs voor de laagste standen? Kijk uit, zegt hij. ‘Zullen die kinderen met al hun kundigheden op de snijderstafel gaan zitten, het brood kneden, het aambeeld slaan, mijn riolen doorsteken?’ Hoe staat het met De Jongs zedelijkheidsquotiënt? We lezen zijn bezwaren tegen de wals: ‘Dat meisjes heil vinden door in de armen van een ieder die haar vraagt te laten draaijen, allerlei houdingen en aanrakingen te gedogen…’ De rest valt te raden.

Intrigerend ook is wat hij vertelt over het bezoek aan de privécollectie van medisch hoogleraar Riemer. Deze blijkt zijn schedels te hebben gerangschikt op kaakuitstekendheid: ‘Mensenhoofden (door alle graden van Europeanen, Tartaren, Negers en nog onbeschaafder rassen), de daaraan volgende en grenzende Orangoutang en onderscheiden aapsoorten, die wederom door ander diersoorten opgevolgt in de onschrandere koe eindigen.’ De Jonge noteert dit in 1819, Darwin is dan tien jaar. Zo reist men in Weest wel met alle menschen naar een andere tijd en ontmoet een nogal sympathieke, gezond nieuwsgierige man met een warm hart voor familie en vrienden en een goede pen. Een fijn en leerzaam uitstapje.