Vader was als een rijstpudding

Hij schreef 100 romans en verhalenbundels, was een van de geestigste schrijvers van zijn tijd, met bestsellers op zijn naam, en dan hield P.G. Wodehouse ook nog genoeg tijd over om vermakelijke brieven te schrijven, vooral aan zijn stiefdochter.

Het is heel goed mogelijk dat de makers van varkenssoap Pigs in Space uit The Muppet Show zich hebben laten inspireren door P.G. Wodehouse. Die Britse schrijver, de ‘Gouden Standaard’ van de Britse humor, heeft namelijk als eerste in een roman (Pigs have Wings uit 1952) een vraatzuchtig prijsvarken, de Keizerin van Blandings, tot literair personage verheven. Een stap naar de even vraatzuchtige televisiemaagd Miss Piggy is dan gauw gezet.

De Keizerin van Blandings behoort toe aan Lord Emsworth, een van Wodehouses antihelden. Hij is het gelukkigst in zijn varkensstal. Zijn buurman Sir Gregory Parsloe-Parsloe heeft ook een varken, de Koningin van Matchingham, waarmee hij de Vette Varkensprijs van de landbouwshow wil winnen, die de afgelopen twee jaar door de Keizerin van Blandings is behaald. Het gevolg van die ambitie is een reeks ontvoeringen – van varkens –, waarbij liefde en dieetgedrag welkome bijzaken zijn.

Wat een meligheid, denk je in eerste instantie. Maar bij P.G. Wodehouse, die zich voor zijn honderd romans en verhalenbundels liet inspireren door Shakespeare, gelden andere maatstaven. Vooral omdat hij in zijn spot met de Britse upperclass zo’n begenadigd stilist en originele meester van de metafoor is. ‘Ze had een alert en kloek verstand, helder en sterk als een stalen trap’, schrijft hij bijvoorbeeld over een van de personages in A Damsel in Distress.

Pelham (Plum) Grenville Wodehouse (1881-1975) was een van de best verkopende en geestigste schrijvers aller tijden. Dat succes dankte hij deels aan zijn populariteit in Amerika, waar hij vele jaren woonde en werkte. Zijn humor is er een van het soort ‘jolly good’, ‘by Jove’ en ‘great fun’ onder alle omstandigheden. Die levenshouding blijkt unaniem uit zijn brieven aan vrienden en familieleden, die nu zijn bezorgd door de Britse literatuurwetenschapper Sophie Ratcliffe in P.G. Wodehouse. A Life in letters.

Deuk

Hoogtepunt in dit vermakelijke boek is de deuk die Wodehouses reputatie opliep, toen hij zich in 1940 voor het karretje van de nazi’s liet spannen door op de Duitse radio in vijf uitzendingen op komische wijze verslag te doen van zijn Duitse krijgsgevangenschap – de 59-jarige schrijver was in Frankrijk, waar hij toen woonde, gearresteerd als burger van een vijandige natie. Via de radio hoopte hij de talloze Amerikaanse lezers, die naar zijn welzijn hadden geïnformeerd, te laten weten dat ze zich niet ongerust hoefden te maken.

Maar in de praktijk werden die radio-uitzendingen door de nazi’s gebruikt om het moreel van de Britten te ondermijnen, terwijl Wodehouse die juist meende te kunnen opvijzelen. Ondanks zijn latere excuses voor die stommiteit en de bijval die hij van Evelyn Waugh en George Orwell kreeg, namen veel landgenoten hem zijn gedrag zeer kwalijk. Naar Engeland is hij daarom nooit meer teruggekeerd, al werd hij kort na de oorlog officieel gerehabiliteerd.

In de brieven zie je zijn personages geboren worden, zoals de monocledrager Rupert Eustace Psmith, de dandy Bertram Wooster en diens onsterfelijk geworden butler Jeeves. Ook begrijp je ineens waar zijn humor vandaan komt. Het is een verdediging tegen de eenzaamheid. Zijn ouders – zijn vader is koloniaal ambtenaar in Azië – heeft hij tussen zijn tweede en vijftiende in totaal zes maanden gezien. Geborgenheid moet hij bij zijn huisgenoten op Dulwich College zoeken, wat hem lukt, want die kostschool is voor hem het paradijs.

Na Dulwich wil Wodehouse in Oxford klassieke talen studeren. Maar zijn vader – een man ‘as normal as a rice pudding’ – heeft niet genoeg geld om wéér een zoon naar de universiteit te sturen.

Wodehouse gaat op een bank werken. In zijn vrije tijd schrijft hij zijn eerste komische stukjes. Al gauw is hij in staat om van de pen te leven. Een korte trip naar New York in 1904 vormt echter het begin van zijn echte succes. Hij schrijft er zijn eerste tekst voor een musicalliedje en doet inspiratie op voor zijn pluimvee-roman, Love among the Chickens. Not George Washington.

In 1910 emigreert Wodehouse naar Amerika, waar hij voor de musicals van Jerome Kern en de gebroeders Gershwin gaat schrijven en boek na boek publiceert. In 1914 ontmoet hij er Ethel Wayman, een jonge weduwe en ex-revuedanseres met een 10-jarige dochter, Leonora. Een paar weken later trouwen ze, om de rest van hun leven op Britse upperclasswijze – veel plezier, weinig seks, gescheiden slaapkamers – gelukkig met elkaar te zijn.

Tien dagen na de huwelijksplechtigheid verwoordt hij aan zijn vriend Leslie Bradshaw zijn definitie van een goed huwelijk: ‘Ik denk dat de voornaamste vraag over het huwelijk niet is of je verliefd op elkaar bent, maar of je die wezenlijke dingen met elkaar gemeen hebt, die je in staat stellen met elkaar samen te leven zonder op elkaars zenuwen te werken.’

Struikgewas

Zijn leukste brieven schrijft hij aan zijn stiefdochter, zoals op 23 maart 1921, vanaf de boot naar Amerika: ‘Als er alleen maar een grasveld of wat struikgewas was, waarover we het onlangs nog hadden, dan zou ik hier voor de rest van mijn leven neerstrijken en honingkleurige bakkebaarden kweken.’

Diezelfde stiefdochter schrijft hij ook over zijn sombere buien, die opkomen wanneer Ethel, die regelmatig aan de zwier is met andere mannen, niet bij hem is. Op die momenten is hij kwetsbaar, zoals hij dat ook is wanneer hij een slechte recensie krijgt: ‘Ik voel me alsof iemand een ei naar me heeft gegooid vanuit een bomvrije schuilkelder.’

Ethel, die regelmatig minaars had, komt uit de brieven naar voren als een flamboyante vrouw en de ideale verzorgster van een schrijvende workaholic. Wanneer het echtpaar in 1930 overweegt Leonora wat geld voor Kerst te sturen, schrijft hij aan een vriend: ‘Ethel dronk een cocktail en suggereerde tweehonderdvijftig dollar. Toen nam ze een andere cocktail en verhoogde het tot vijfhonderd. Uiteindelijk, na een likeurbrandewijn, zei ze sentimenteel dat je maar een keer jong bent en ga zo maar door, met als resultaat dat Snorky een cheque van duizend botten kreeg.’

Opvallend is ook dat Wodehouse in april 1939 de oorlog absoluut niet voelt aankomen. ‘Het afschuwelijke is dat het allemaal zo angstaanjagend grappig is,’ schrijft hij, doelend op Hitlers doorzichtige Sudetenlandpolitiek. In Duitse gevangenschap houdt hij die naïviteit vol: in zijn dagboek beschrijft hij zijn leven in het kamp als ‘op pad zijn met een theatercompagnie’ en ‘alsof je in Hollywood bent’. ‘Het kamp was echt grote pret,’ zal hij er in 1942 over schrijven. Dat hij als toegift een komisch boek publiceerde over zijn excentrieke medegevangenen, die hun tijd doorbrachten met dartsspel, pingpong, kletsen en zingen, is vanuit die optiek dan ook niet zo vreemd.

    • Michel Krielaars