Schrijf snel. We hopen dat alles voorbijgaat

Een wanhopig echtpaar wist hun zoon uit handen van de nazi’s te houden. Hij belandde in Zweden, ontving er vele brieven van zijn ouders. Een waar gebeurd verhaal, met een curieus en een droevig slot.

Dit is een boek over een onwaarschijnlijk, maar waar gebeurd verhaal. Een van de vele onwaarschijnlijke, maar waar gebeurde verhalen uit de Tweede Wereldoorlog. Het gaat over de redding van Otto Ullmann, een 13-jarige Joodse jongen uit Wenen. Met dat woord ‘redding’ is al meteen een van de gruwelijke dilemma’s van deze geschiedenis gegeven.

Ja, de jongen wordt gered. Hij komt in Zweden terecht. En ja, hij komt zelfs heelhuids de oorlog door. En ja, dat is wat zijn ouders, toen ze opgesloten waren komen te zitten in Wenen, voor hun enige zoon wilden bereiken, voorzover ze dat toen konden overzien.

Maar wat betekent een woord als ‘redding’ nog als je je zoon, na hem veilig het land uit gekregen te hebben, nooit meer ziet of spreekt? En wat moet de jongen denken als hij er na de oorlog achterkomt dat zijn ouders, en zowat zijn hele familie, het niet overleefd hebben – en hij als enige, alleen op de wereld, ‘gered’ is?

Ziehier een van de zielknagende rode draden die door het hele boek heen loopt. Bijna zijn wij aan de beurt is één lange strop die langzaam aangetrokken wordt. En, dat maakt het allemaal nog erger: wij, lezers, weten al hoe het afloopt.

De Zweedse schrijfster en onderzoeksjournalist Elisabeth Åsbrink (1965) kreeg van Otto Ullmanns nabestaanden een paar jaar geleden inzage in de honderden brieven die zijn ouders en andere familieleden hun ontsnapte zoon stuurden. Veel van die brieven kunnen we hier nalezen. Zo is een documentaire ontstaan in tientallen korte losse scènes – ‘een oorlogsgeschiedenis’ volgens de ondertitel. Åsbrink heeft het precies, droog en zakelijk proberen op te schrijven, al sluipt er af en toe een cynische zin in, of een uitroep van onmacht of verontwaardiging.

Via de ogen van dit ene kleine gezin zie je gebeuren wat in Wenen en in heel Europa, met al die andere Joodse gezinnen gebeurde: ergens wonen, deel uitmaken van een sociaal netwerk, zonder veel besef van religie of ras, en je dan geleidelijk steeds minder thuis voelen, en daarna ongewenst, en daarna bedreigd, en daarna buitengesloten – en daarna daadwerkelijk buitengesloten worden, ontslagen, opgesloten, geïsoleerd, aangevallen worden.

Het overkomt ook Josef Ullmann en zijn vrouw Elise Kollmann, en hun zoontje Otto. Josef had in de Eerste Wereldoorlog nog gevochten in het Oostenrijkse leger. De granaatsplinters zaten nog in zijn rug.

Vanaf de Anschluss op 12 maart 1938 komt het gevaar dichterbij. Alle Joden gaan steeds wanhopiger op zoek naar ‘een opening’, ‘een scheur in het net’, ‘een achterdeurtje’. De ouders van de 13-jarige Otto vinden die opening voor hun zoon op een onwaarschijnlijke plek: de Zweedse Israëlsmissie in Wenen, een uiting van het streven binnen de christelijke kerk om zieltjes te winnen onder Joodse gelovigen.

Een tijdlang leek het erop dat men via deze weg, als christen, van Wenen naar Zweden zou kunnen wegkomen, maar deze mogelijkheid werd al gauw afgesloten – behalve voor een klein groepje Joodse kinderen die, op voorwaarde dat ze gedoopt waren, in Zweden bij gezinnen konden worden ondergebracht.

Kinderactie

Door een gelukkig toeval kon Otto meedoen aan deze eenmalige ‘kinderactie’. En zo vertrok hij op 1 februari 1939 naar Zweden, met nog honderd inderhaast gedoopte Joodse kinderen. Uitgezwaaid door zijn wanhopige ouders, die alleen maar konden hopen dat ze hem ooit zouden weerzien. Gered? Ja, maar Åsbrink kan er alleen maar wrang over zijn: voor de Zweedse zendelingen werden zij ‘niet zozeer van het nazisme gered als van hun Joodsheid.’

Otto komt in een kindertehuis terecht. Hij moet werken op het land. Hij is boos en ongeduldig, en schrijft daarover. Hij wil terug! Waarop zijn ouders, die het in Wenen steeds moeilijker krijgen, hun uiterste best moeten doen om hem, de enige die vrij is, moed in te spreken. Intussen spreken zij hun eigen angsten en zorgen niet uit. Zij leven tussen hoop en vrees, en het is wel duidelijk dat de hoop steeds meer vervliegt. Je zou denken dat de brieven steeds aangrijpender en emotioneler worden, maar dat is juist niet zo.

De brieven worden almaar strakker, formeler en voorspelbaarder – een herhaling van vaste formules. ‘Blijf netjes en blijf opgewekt, en schrijf snel.’ ‘We hopen maar dat alles voorbijgaat.’ ‘Godzijdank zijn wij goed gezond.’ Is er angst voor censuur? Schrijven ze misschien in een van te voren afgesproken saaie geheimtaal? Willen ze hun zoon de ellende besparen? Is alle verdriet en vrees bevroren tot een paar vaste formules – met geen andere functie dan het geven van een levensteken? Dit is de ultieme boodschap telkens weer: we leven nog, we hopen dat je gezond bent, we houden van je, denk aan ons, hou vol, laat van je horen.

Åsbrink heeft zich toegelegd op het achterhalen van alles waarover de ouders niet schreven. Het is een aaneenschakeling van de bekende gruwelijkheden, droog genoteerd. Wanhoop, angst, wachten, dwangarbeid, gedwongen verhuizing, deportatie van de inwonende tante en oom, deportatie van Josef naar een werkkamp in Polen in 1939, de terugkeer van Josef uit Polen, het dragen van een Jodenster, het ‘judenrein’ maken van wijken in Wenen, het leeghalen van huizen, het werk van Josef bij de Joodse Gemeente.

Mama schrijft aan Otto: ‘Papa heeft nog steeds veel te doen.’ Wij weten dat hij maandenlang bij andere Joden het transport moet komen aanzeggen, huizen leeghalen, en de deportatie voorbereiden – op straffe van zelf gedeporteerd te worden. Als hij zijn eigen schoonzus moet afvoeren, weten Josef en Elise dat het niet lang meer kan duren. ‘Bijna zijn wij aan de beurt.’ Dit schrijft mama: ‘Over een paar dagen moeten we namelijk verhuizen.’ En: ‘Als je niets van ons hoort, moet je niet al te verdrietig zijn.’

Ze moeten op 2 oktober 1942 naar Theresienstadt. Ook daar blijven ze hun korte berichten in algemene bewoordingen sturen aan hun zoon: ‘We hopen dat je gezond bent, wij zijn dat godzijdank wel.’ Zou hij het geloofd hebben? Twee jaar later worden ze op transport gezet naar Auschwitz. Begin oktober 1944 worden ze daar vergast.

Opstandigheid

Hoe verging het de zoon intussen in Zweden? Er is maar één brief van hem bewaard gebleven. Voor de rest moet Elisabeth Åsbrink het met indirecte aanwijzingen doen. Na zijn aanvankelijke opstandigheid lijkt hij zich te gaan schikken in zijn nieuwe leven op het lege Zweedse platteland. Hij klaagt niet meer.

Hij gaat van tehuis naar tehuis, van baantje naar baantje (kwekerij, slagerij, tuinderswerk, boerenknecht). Soms lijkt hij gelukkig te zijn met zijn buitenleven, met zwemmen en vissen in meertjes, houtzagen in de bossen, paardrijden en jagen op elanden.

Was hij nu een christelijke jongen geworden? Nee. Volgens Åsbrink was hij ‘niet-confessioneel’, wat hij in Wenen ook al was. En wist hij wat er in de rest van Europa gebeurde? Vermoedelijk kreeg hij er niet al te veel van mee.

Het is de vraag of hij wist dat er in zijn directe omgeving de nodige fascisten woonden. Åsbrink heeft het uitgezocht en zich daarbij vooral geconcentreerd op de handel en wandel van ene Ingvar Kamprad, een leeftijdsgenoot van Otto. De geschiedenis gaat nu weer een paar onwaarschijnlijke, maar waar gebeurde wendingen nemen. Het is deze Ingvar die in 1943 zijn meubelbedrijfje IKEA oprichtte – met de beginletters van zijn voor- en achternaam en die van de boerderij van zijn vader en die van zijn woonplaats. Het is te begrijpen dat het vooral in Zweden voor veel ophef zorgde toen aan het licht kwam, in 1994, dat hij in zijn jonge jaren zoveel sympathie voor de rechts-extremistische beweging in Zweden had gehad. Nog onwaarschijnlijker: het is precies deze boerderij waar de jonge Otto in 1943 komt te werken, zonder overigens veel weet te hebben van de opvattingen van Ingvar en zijn vader. Omgekeerd hoefden die ook weinig van de nieuwe knecht te weten.

Dan neemt de geschiedenis nog weer een onwaarschijnlijke wending: Otto en Ingvar blijken het erg goed met elkaar te kunnen vinden. Ze raken bevriend en trekken er buiten het werk regelmatig samen op uit. Otto werkt zelfs een tijdlang voor Ingvars nieuwe bedrijfje IKEA. Hij probeert het in 1948 een tijd lang in Palestina, keert weer terug, wordt verliefd op Ingrid, die ook voor Ingvar en IKEA werkt – en trouwt uiteindelijk met haar en gaat met haar in Stockholm wonen.

Is dat te begrijpen? Eigenlijk niet. Maar als je dit boek leest, zie je het allemaal gebeuren. Otto overlijdt in 2005. Hij heeft er nooit veel over willen zeggen. Åsbrink probeert Ingvar Kamprad in 2010 nog te interviewen, maar die kan en wil er ook niet zo veel meer over zeggen. Hij weet ook niet hoe hij zijn jeugdige enthousiasme voor de Zweedse fascisten kon rijmen met zijn vriendschap met de Joodse jongen Otto. ‘Er is geen antwoord’, zegt hij.

    • Guus Middag