Ook kanker die laat komt, is erfelijk

Kanker zit vaak in de familie. Zelfs als die kanker pas op hoge leeftijd de kop opsteekt, blijkt uit een grootschalig Zweeds onderzoek.

Kanker is zelfs erfelijk als die bij vader of moeder pas na het negentigste aan het licht komt. Tot nu toe was er vooral aandacht voor erfelijkheid in families waar de kanker al vroeg – rond het veertigste of vijftigste bijvoorbeeld – de kop opsteekt. Kanker die na het zeventigste wordt gediagnosticeerd noemen artsen meestal ‘incidenteel’.

Maar Zweeds onderzoek breidt de erfelijkheid van kanker overtuigend uit naar hoge leeftijden. Als een 70-plusser kanker krijgt, hebben zijn of haar kinderen een anderhalf tot tweemaal zo hoge kans om diezelfde kanker te krijgen als gemiddeld.

Het Zweedse onderzoek gebruikt gegevens van alle Zweden die na 1931 zijn geboren en van hun biologische ouders, in totaal inmiddels meer dan 12 miljoen mensen. Bij meer dan 1,1 miljoen van hen is inmiddels kanker gediagnosticeerd.

De gegevens komen van bevolkings- en doodsoorzakenregisters en van de kankerregistratie. Ze zijn sinds halverwege de jaren negentig aan elkaar gekoppeld in de Zweedse familiekankergegevensbank.

Voor darm-, borst-, prostaat-, long-, blaas- en twee huidkankers, en ook voor non-Hodgkin lymfoom kon het risico voor de nazaten inmiddels worden uitgerekend. Het onderzoek is eind vorige week online gepubliceerd in het British Medical Journal.

De Zweedse onderzoekers schrijven dat deze aanleg voor kanker niet te veranderen is. Maar dat veel kanker eerder tot uiting komt door roken, alcohol drinken, rood vlees eten of overgewicht. Die risicofactoren kan iemand wel in de hand houden als het risico verhoogd is.

De Zweedse familiekankergegevensbank laat als eerste databank ter wereld laat zien dat zelfs tumoren die bij 90-plussers voor het eerst opduiken, nog een iets hogere kans op die kanker bij kinderen geven. Bij darmkanker is het risico bij de kinderen dan 60 procent verhoogd.

Darmkanker die bij een van de ouders laat ontstaat, heeft de neiging om ook bij de kinderen laat te verschijnen. Voor kinderen van zo’n 90-plus-darmkankerpatiënt is het risico 30 procent verhoogd zolang ze jonger dan 60 zijn. Daarna stijgt de kans nog tot 90 procent boven de kans voor de hele bevolking.

De risico’s zijn vastgesteld aan de hand van de kans van alle Zweden om voor hun 75ste een diagnose van een bepaalde kanker te hebben gehad. Alle Zweden lopen bijvoorbeeld 3,4 procent kans voor hun 75ste de diagnose darmkanker te horen. Voor mensen met een ouder die boven 90 darmkanker kreeg, is die kans dan 5,4 procent.

De kans dat een kanker ‘familiaal’ is, is nog altijd duidelijk het hoogst als vader of moeder al jong kanker krijgen. Dat sluit aan bij het eerdere onderzoek waaruit vooral de erfelijkheid van kankers op jonge leeftijd rolde. Iemand met een ouder die als veertiger darmkanker kreeg, heeft zelf een 450 procent verhoogde kans om voor zijn zestigste darmkanker te krijgen. Het goede nieuws uit dit onderzoek is dat dit ‘lageleeftijdrisico’ verwatert als het kind ouder wordt zonder die kanker te krijgen. Een zestig-plusser met een ouder die veel jonger darmkanker kreeg, heeft nog maar 20 procent meer kans op darmkanker.

Een uitzondering lijkt prostaatkanker. Een man met een vader die al op zijn 45ste prostaatkanker had heeft zelf 680 procent meer kans om voor zijn zestigste prostaatkanker te krijgen. Maar ook na het zestigste is die kans nog steeds 280 procent hoger. Het is waarschijnlijk dat een flink deel van dat verhoogde risico bestaat doordat prostaatkanker tegenwoordig veel eerder wordt ontdekt, doordat halverwege de jaren negentig overal in West-Europa de PSA-test in zwang kwam.