Jammer, dat vwo-scholen die havoleerlingen weghouden

De doorstroming van havo naar vwo is te moeilijk geworden, vindt Leo Prick. Dat is vooral voor sociaal zwakkeren rampzalig.

Het Havoplatform, opgericht door acht schoolbesturen, heeft tot doel het schooltype havo te promoten. De havo heeft een imagoprobleem. „Een gepimpte vmbo-tl of een onvolwaardige vwo?”, vragen de besturen zich af op hun website. „Wie is eigenlijk de havoleerling? Wat is zijn identiteit?”

Ik zal die acht schoolbesturen die worstelen met deze vraag niet langer in onzekerheid laten en antwoord geven op hun prangende vraag. De havoleerling bestaat niet.

De Mammoetwet is indertijd ingevoerd omdat men erachter was gekomen dat de mulo-, de hbs- en de mms-leerling niet bestonden. Daarom dienden de diverse schooltypen zo op elkaar aan te sluiten dat de keuze voor één daarvan nooit definitief hoefde te zijn. Dit resulteerde in het besluit ze te vervangen door mavo (vmbo-tl), havo en vwo, schooltypen met vergelijkbare vakkencombinaties, oplopend in moeilijkheidsgraad, die het mogelijk maakten om verkeerde keuzes te corrigeren.

Hoewel er conform de aanbeveling van de commissie-Dijsselbloem niet in ons onderwijsstelsel is ingegrepen, is de laatste jaren alles anders geworden. De oorzaak hiervan ligt bij de laatste stelselwijziging: de invoering van het vmbo, door staatssecretaris Netelenbos (PvdA), in 1999. Hierdoor scheidde de mavo zich af van de trits mavo-havo-vwo. Het advies mavo werd een advies vmbo. In de praktijk betekende dit dat met een dergelijk advies de havo en het vwo uit het zicht verdwenen. Dit heeft geresulteerd in druk van ouders op leerlingen en scholen om met ten minste een havoadvies te komen. Gevolg: het percentage brugklassers dat naar havo of vwo gaat, is gestegen van bijna 40 naar 50 procent.

De Oeso is ons de afgelopen jaren gaan bekritiseren omdat de selectie in ons onderwijs steeds meer wordt ingegeven door de sociale achtergrond van de leerlingen en niet door hun kwaliteiten. Dit verklaart mede de spectaculaire toename van het aantal leerlingen in havo en vwo. Het wettigt de conclusie dat de gemiddelde kwaliteit van de leerlingen met een havo- of vwo-advies de laatste jaren is gedaald.

Scholen voor havo-vwo die zich dat kunnen permitteren, zijn daarom gaan selecteren. Ze laten bijvoorbeeld geen leerlingen toe met een mavo/havo-advies, of zelfs ook niet meer met een havoadvies sec. De leerling die na de havo naar het vwo wil doorstromen, kan op steeds minder plaatsen terecht. Scholen voor vwo profileren zich als gymnasium of ‘technasium’, of onderscheiden zich door het aanbieden van extra vakken als Italiaans, Spaans of Chinees. Dit maakt de aansluiting met de havo welhaast onmogelijk.

Doordat havo en vwo de laatste jaren steeds verder uit elkaar zijn gegroeid, bezorgen eventuele doorstromers een school veel extra aandacht en begeleiding. Vandaar dat scholen kiezen voor een ontmoedigingsbeleid. Illustratief voor dit beleid is de door de Volkskrant opgetekende opmerking van leraar Peter Kelder van het Northgo College in Noordwijk tegen een leerling die zegt te willen doorstromen naar het vwo: „We proberen onze leerlingen hier zo goed mogelijk te determineren. Ik zou jou bestempelen als een goede havoleerling”. Van Dale geeft als definitie van het begrip determineren „de familie, het geslacht en de soort van een plant bepalen”. Degenen die in de materie thuis zijn, slagen er meestal met zekerheid in vast te stellen om wat voor plant het gaat.

Bij het determineren van jonge mensen ligt dit anders. Er zijn talloze voorbeelden van kinderen die het op school en met hun studie verder schopten dan men aanvankelijk voor mogelijk hield. Allemaal waren ze foutief gedetermineerd.

Hoewel we dus beter weten, en privéscholen zoals het Luzac College dat ook doorlopend bewijzen, accepteren we dat onze kinderen op de leeftijd van elf jaar haast onherroepelijk worden gedetermineerd. We laten ze door deskundigen die de pretentie hebben dat verantwoord te kunnen doen, plaatsen in een hok waaruit het steeds moeilijker is te ontsnappen.

Onlangs is weer eens bevestigd dat de verschillen tussen de betere en zwakkere leerlingen op de Nederlandse basisschool gering zijn. Dat de schoolprestaties in het voortgezet onderwijs, zoals de Oeso ons verwijt, niettemin wel sterk milieuafhankelijk zijn, is niet het gevolg van hoe we de leerlingen onderwijzen, maar van de wijze waarop wij hen determineren.

Bijlessen, specifieke toetstraining en sociale druk door ouders zijn niet weggelegd voor leerlingen met een sociaal zwakke achtergrond. Evenals leerlingen die opgroeien in een taalarme omgeving krijgen ze aan het eind van de basisschool vaak een te laag advies. De mogelijkheid om binnen het voortgezet onderwijs naar een hoger schooltype te kunnen doorstromen, is juist voor deze leerlingen van levensbelang.

Leo Prick is medewerker van NRC Handelsblad.