In een houten kistje: Een thé-dansant

De briefkaart was nog niet zo lang geleden verstuurd. Dat kon ik aan de datum zien, en dat degene die hem had geschreven al wat ouder was – de letters met zwarte pen geschreven in een handschrift dat geen jongere meer heeft. De brief was niet voor mij bestemd, ik vond hem tussen de bladzijden van een bibliotheekboek en werd getroffen door de eerste zin.

Het leven is soms sprookjesachtig en soms bizar, zo opent de schrijver, een vrouw, denk ik – de naam is niet goed leesbaar. Ze richt haar woorden aan een broer en zus, jong genoeg nog om zo’n waarheid te ontvangen, wel volwassen. Blijkbaar delen ze een brievenbus en wonen ze samen, bleek en donkerharig denk ik en met elkaar verstrengeld door de gebeurtenissen die in de briefkaart worden opgesomd; hun ouders gescheiden, iemand overleden, een ander ernstig ziek.

En tijdens al die tragiek, een thé dansant, de reden voor de brief. De briefschrijfster had er graag bij willen zijn, om iedereen te omhelzen en vele oude vrienden terug te zien. Ze was er niet: gezondheidsredenen. Ik zie haar zitten, bij het raam, moeizaam zoekend naar woorden voor de brief die alles uit moet drukken, de brief die duidelijk moet maken dat ze nog hoort bij de familie die in hoog tempo uiteenvalt, haar formulering tastend, naar de mensen die ze al hun hele leven kent (hoe lang ze hen al kent, ook dat staat in de brief, benadrukt met een uitroepteken).

Hoe tragisch, zulke woorden, achteloos achtergelaten, zoals de rozen die je soms op straat ziet liggen.