Ik geloof in God de Vader en in Hitler, zijn gekozen zoon

Henrik Eberle: Letters to Hitler. Redactie: Victoria Harris. Polity Press, 240 blz. € 20,-

De gebruikelijke wijsheid van dictators, tirannen en wrede Romeinse keizers over hun onderdanen – ‘ze mogen me haten, als ze me maar vrezen’ – was aan Hitler niet besteed. Populariteit was het fundament voor gezag, legde Hitler al uit in zijn bestseller Mein Kampf, acht jaar voordat hij de Führer van het Derde Rijk werd, schrijft de Britse historica Victoria Harris in haar inleiding op Letters to Hitler. Pas op de tweede plaats kwam macht, die gewoonlijk als de basis van een dictatoriaal regime wordt beschouwd.

En populair was Hitler, getuige de vele brieven die hij tijdens zijn politieke carrière kreeg. Al voor hij en zijn nationaal-socialistische partij in 1933 aan de macht kwamen, ontving hij zoveel brieven dat hij ze liet beantwoorden door zijn secretaris. Na de machtsovername waren daar zelfs enkele secretarissen voor nodig. In zijn eerste jaren als Führer van het Derde Rijk kreeg hij in de dagen rondom zijn verjaardag op 20 april ongeveer 10.000 brieven.

Niet alle brieven werden beantwoord, zo blijkt uit Letters to Hitler, dat in 2007 al in het Duits verscheen. Kritische brieven konden aanleiding zijn om de Gestapo aan het werk te zetten, maar de afzenders kregen niets te horen. De brief van een vrouw wier man zich had opgehangen nadat hij door nazi’s was belaagd, werd ook genegeerd. Wel werden alle brieven keurig opgeborgen in Hitlers archief in Berlijn. Na de Tweede Wereldoorlog werd dit naar Moskou gebracht, waar het lange tijd gesloten bleef. Pas in de 21ste eeuw kreeg de Duitse historicus Henrik Eberle toegang.

Onthullend werden de brieven genoemd toen Eberles selectie, Letters to Hitler, in 2007 in het Duits verscheen. Maar dat zijn ze nauwelijks. Ook het commentaar van Eberle is niet opzienbarend: het is een keurige beschrijving van de opkomst en ondergang van Hitler.

De meeste Letters to Hitler zijn idolate fanmail. De ene na de andere briefschrijver laat Hitler weten dat hij de grootste, knapste, edelste, dapperste of sterkste Duitser is die ooit heeft geleefd. Velen zien in hem een verlosser, maar slechts een enkeling weet aan dit inzicht een originele wending te geven. Zoals de hotelportier Karl Jorde die in 1938 een ‘nationaal-socialistisch credo’ voor het Duitse volk schreef. ‘Ik geloof in God de Vader, de almachtige schepper van hemel en aarde, en in Adolf Hitler, Zijn gekozen zoon, die Hij heeft uitverkoren om het Duitse volk te verlossen van het addergebroed (Joden, de clerus en dynastieën)’, zo begint dit credo dat ongepubliceerd bleef.

Het interessantst aan de brieven is nog hun aantal. Dit was voor Hitler een goede graadmeter van zijn populariteit. Die was, zo blijkt uit Letters to Hitler, op het hoogtepunt direct na de Anschluss in 1938, toen Oostenrijk deel ging uitmaken van het Derde Rijk. Maar iets meer dan een jaar later, na de Duitse inval in Polen, daalde het drastisch. In de latere oorlogsjaren werd Hitlers fanmail nog minder. Op het laatst schreven alleen nog maar mannen die beweerden een nieuw wapen te hebben uitgevonden. Volgens Eberle betekent dit dat het grootste deel van de Duitse bevolking weinig zag in de oorlog die de nazi’s waren begonnen.