Ik droom het bestaan

‘Doe dit niet – Schrijf!’ Wanhoopskreten en poëticale stellingen wisselen elkaar af in de brieven van de dichter Chris van Geel.

Geruisloos lijken ze uit het aanbod te verdwijnen: brievenboeken. In de gloriedagen van de Privé-domeinreeks van De Arbeiderspers verschenen ze achter elkaar. Een titel als Braziliaanse brieven van August Willemsen bereikte zelfs klassieke status. Maar de laatste jaren glijden brievenboeken steeds vaker de ramsj in: die van Ida Gerhardt lagen er (Courage!), de schitterende correspondentie van Gerard Walschap ook. Nieuwe brievenuitgaven verschijnen sporadisch: soms één bij De Bezige Bij (meestal in verband met Hermans), bij Podium of De Arbeiderspers. En uitgeverij Van Oorschot – die onder meer naam maakte met grote brievenuitgaven als die van Multatuli, Ter Braak, Du Perron en Belle van Zuylen – houdt de traditie in ere.

Daar verschijnen zelfs nog brievenboeken die door Geert van Oorschot – die deze maand 25 jaar geleden overleed – zijn bedacht. Zoals de uitgave van de brieven van Chr.J. van Geel: Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe. Het boek bevat brieven die de beeldend kunstenaar en schitterende dichter Van Geel (1917-’74) tussen 1955 en zijn dood in 1974 schreef aan zijn zoontje, zijn uitgever, collega’s en vrienden. Het boek werd met aandacht en gevoel bezorgd door Marsha Keja en Jabik Veenbaas en voorbeeldig uitgegeven, met veel mooie kleine tekeningen. Dat geeft Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe de rijkdom en aantrekkingskracht van de echte brievenuitgave: je gaat heen en weer tussen persoonlijke ontboezemingen en zakelijke beslommeringen – en leert intussen veel over de totstandkoming van het oeuvre.

Dat laatste was bij Van Geel een zware bevalling: hij schreef aan de lopende band, maar had hulp van anderen nodig, de zogenaamde ‘tuttelaars’ om zijn gedichten af te werken en voor een bundel te selecteren. Uiteindelijk verschenen tijdens zijn leven vier bundels.

Chris van Geel was geen makkelijke man, niet voor zichzelf, niet voor zijn omgeving en aanvankelijk is hij dat ook niet voor de lezer van zijn correspondentie. In de brieven die hij in de jaren vijftig schreef komt hij vooral naar voren als een aansteller. Aangeraakt door het surrealisme maakt hij weinig aanlokkelijke zinnen als: ‘Toch droom ik het bestaan van mij of iemand anders die, zoveel meer mens geworden dan men van nature in zijn jeugd kan zijn, en met behoud daarvan, ferm en direct de geheime gang doorloopt om zonder aarzelen díe deur te kiezen waar hij zijn verzen in goud kan wassen.’ (En dat van de dichter van ‘Waar puin ligt en een oude fiets/ keerde mijn schoen een kistje om,/ ik keerde op mijn schreden,/ keerde het om, ik dacht misschien/ ligt het toch liever andersom.’)

Karakteriseringen

Als zijn geliefde Thérèse Cornips hem in mei 1957 heeft verlaten, schrijft hij een brief die je blij maakt dat je niet in de schoenen van de geadresseerde staat: ‘Doe dit niet. – Schrijf! Ik wil vaststellen: ik hou van jou. Nooit wil ik je mijn bestaan opdringen, je bezwaren. Ideaal: vluchtige essentiële omgang (geen existentiële), per weekend bv. Maar omgang! Ik kan je geest niet missen. (Delight)’

Maar Cornips keert bij hem terug in het huisje in het Noord-Hollandse Groet, zijn eerste bundel Spinroc en andere gedichten (de titel verwijzend naar Cornips) verschijnt in 1958 en de brieven worden allengs scherper en interessanter. Bijvoorbeeld in de karakteriseringen die hij geeft van zijn uitgever Van Oorschot: ‘Hij leeft in een park van voortdurende literaire menselijke onrust, lijkt het wel.’

Aan Dick Hillenius schrijft Van Geel: ‘Gedichtenschrijvers echter zijn geen vogels, vrolijke vogels in het bezit van een eigen territorium. Het tegendeel is meestal waar. Dat zij soms zonder territorium, angstig en opgejaagd, deze gemiste zaken kunnen omzetten is hun geheim.’

Een man zonder territorium – het is een beschrijving waarmee Van Geel zowel de kracht van zijn dichterschap als de kwetsbaarheid van zijn persoon kenschetst. Een paar maanden later (het is dan 1961 en Van Geel schrijft aan Johan Polak) beziet hij zichzelf opnieuw, in de brief waar de titel van deze bundel uit afkomstig is: ‘De avantgardist in mij is een tekenaar [...] De dichter in mij is de nadenker, ook van het nieuwe, en de uitteller van het verleden.’ En, heel mooi: ‘Ik zou een vermakelijk of monumentaal knooppunt kunnen zijn, als er niet zoveel draadjes in mij los waren...’

In de laatste jaren van zijn leven werd Van Geel getroffen door de ene ramp na de andere. Terwijl hij met zijn partner Elly de Waard in december 1972 in Utrecht logeerde bij het gezin van Jan Emmens – die een jaar eerder zelfmoord had gepleegd – brandde in Groet zijn huis af, waarbij een groot deel van zijn werk en bezit verloren ging. Het leidde tot grote financiële zorgen – uit de brieven blijkt toch al een voortdurend materieel ongemak: de vogel zonder territorium paste immers niet in de kooi van een betrekking die een redelijk of regelmatig inkomen zou opleveren.

Maar met de brand stopte het niet. In de zomer van 1973 sterft zijn 25-jarige zoon Chris aan een overdosis medicijnen – de jongen was opgegroeid bij zijn moeder. Uit Ik ben een onderling onverzoenlijk ratjetoe blijkt dat Van Geel en zijn zoon elkaar vooral vonden in hun liefde voor tekeningen. Begin jaren zestig was er zelfs sprake van een tentoonstelling van vader en zoon samen in het Stedelijk Museum; het zou uiteindelijk een expositie van alleen de vader worden.

In de brieven rondom het tentoonstellingsplan zal de vader zijn twaalfjarige zoon regelmatig verrast hebben. Bijvoorbeeld door hem opgewekt te schrijven: ‘Ik heb zojuist van een schijnbaar niet zo goede tekening van je, twee goede tekeningen gemaakt door ze door midden te knippen. Ik zelf spaar de schaar ook niet waar het eigen tekeningen betreft, zoals je weet. De inspiratie strekt zich soms niet verder uit dan een vierkante centimeter. Die cm. moet gered,’

Schaduw vooruit

De laatste brief – aan Jan Geurt Gaarlandt – in het boek is van 23 december 1973. Zoals het hoort in een echte brievenuitgave, werpt in die slotbrief het einde al zijn schaduw vooruit. De slotzin luidt: ‘Mijn onderdanen begeven het. Ik wens je dus strompelend een voorspoedig 1974.’

Van dat jaar zal Chris van Geel tien weken meemaken. Zijn loopklachten blijken veroorzaakt te zijn door een tumor in zijn rug. Tot zijn dood, op 8 maart, bleef hij invallen noteren op kleine papiertjes. Immers: ‘De inspiratie strekt zich soms niet verder uit dan een vierkante centimeter. Die cm. moet gered.’

    • Arjen Fortuin