Ik begin Che te begrijpen

António Lobo Antunes: Mijn winterkat mijn lief. Vert. Harrie Lemmens. Anthos, 440 blz. € 29,95

‘Wij hebben elkaar tot het einde van de wereld,’ schrijft Antonio Lobo Antunes op 14 januari 1971 aan de vrouw met wie hij vijf maanden daarvoor getrouwd is.

Hij is nog lang niet de beroemde schrijver die hij zou worden, maar een jonge Portugese arts op een boot onderweg naar Angola, waar hij ruim twee jaar zijn militaire dienst zal vervullen.

In die tijd schrijft hij zijn vrouw honderden brieven die na haar dood door hun dochters werden uitgegeven. Een uniek mengsel van beginnend schrijverschap, oorlogservaringen en een zinderende liefde die culmineert in de brief waaraan de mooi vormgegeven Nederlandse uitgave haar titel dankt. ‘Ik houd van je, mijn winterkat mijn lief mijn gazelle mijn vergeet-mij-niet’.

Zo idyllisch blijft het niet. Soms beklaagt Lobo Antunes zich over het uitblijven van brieven of de kortheid daarvan. Afrika staat hem vanaf het begin tegen, al doet hij moeite een plaatselijke taal te leren en bewondert hij soms de kunst en sierlijkheid van de bevolking. Nauwelijks aangekomen weet hij het al: ‘Ik word nooit meer degene die ik was’.

Inderdaad laten de verschrikkingen van de koloniale oorlog niet lang op zich wachten. De wreedheid ervan wordt alledaags, kennelijk ook voor hem: ‘Ze gaan Chalala-Nengo bombarderen met napalm en dat wil ik niet missen.’ Ook hij heeft zijn Tanja Nijmeijer-moment, wanneer het legerkamp ’s nachts plots onder vuur wordt genomen: ‘Ik begin Che Guevara te begrijpen: dit heeft echt iets opwindends.’

Met moeite probeert Lobo Antunes zijn menselijkheid te bewaren, vooral door te schrijven. Hij werkt aan een roman die Huwelijksglijvlucht moet heten en waarin ‘Portugal nauwkeurig, onbarmhartig moet worden geportretteerd’. Daarmee geeft hij, acht jaar voordat zijn eerste roman verschijnt, de beknoptst mogelijke samenvatting van heel zijn oeuvre.

Huwelijksglijvlucht zal nooit worden gepubliceerd. Tegen het einde van de correspondentie vernietigt hij bijna het hele manuscript en afgaand op het korte, pompeuze fragment dat hij in een brief opneemt is dat geen verlies. Zijn eigen oordeel zwalkt tussen opgetogenheid en de neerslachtige erkenning dat het broddelwerk is.

‘Het einde van de wereld’, de idylle die Lobo Antunes zijn vrouw beloofde, wordt in dit boek het Angolese achterland. ‘Het hol van Judas’ zoals hij het noemt in de titel van zijn tweede roman. Eindeloos zal hij daarop herhalen, in romans en interviews: ‘Een oorlog laat je nooit meer los’.

Ook de verzengende liefde voor zijn vrouw, beeldschoon op de foto’s in het boek, houdt daaronder geen stand. Een paar jaar na zijn terugkeer verlaat hij haar – om dat waarschijnlijk de rest van zijn verdere leven te betreuren. Hij was niet meer degene die hij was.