E-mails vergaan niet

De correspondentie tussen uitgevers en schrijvers verloopt vrijwel alleen nog per e-mail. Het gevaar dreigt dat niet alles op een goede manier wordt bewaard.

Amsterdam 20-12-2012 Literaire brievenverzameling bij Bijzonder Collecties van de UvA: Brieven en een ansichtkaart van A.F.Th. van der Heijden aan Jean-Paul Franssens, 1993-1994 Foto Maurice Boyer

‘Er zijn schrijvers met wie ik wel eens op Facebook chat, maar ik prefereer toch de mail, al is het maar als geheugensteun voor dingen die uit zo’n correspondentie voortvloeien.” Job Lisman, hoofdredacteur van uitgeverij Prometheus, schrijft zelden nog een brief: „Daar is het leven helaas te druk voor.”

Briefwisselingen binnen de literatuur, tussen schrijvers onderling of tussen uitgevers en schrijvers, zijn altijd een belangrijke bron geweest voor letterkundigen en biografen. Op 18 mei 2009, op het symposium de Dag van de Brief te Maastricht, werd de epistolaire kunst al nagenoeg ten grave gedragen – van de troon gestoten door e-mail. Zoals de dodo voorgoed uit onze fauna verdwenen is, zo zal in de wereld van de literatuur het genre van de brief het loodje leggen, beklaagden de organisatoren zich. Het voorland dat Anton Korteweg schetste, destijds directeur van het Letterkundig Museum, was bovendien pessimistisch: ‘Mails nodigen niet uit tot diepgang, weloverwogen standpunten en stilistische zorgvuldigheid, laat staan dito hoogstandjes, dwingen vaak tot veel te snel antwoorden en leiden zodoende tot veel fouten, waarvoor overigens doorgaans een grotere tolerantie aan de dag gelegd wordt dan bij feilen in papieren brieven.’

E-mail vergaat niet. E-mail neemt minder ruimte in. E-mail is gemakkelijker doorzoekbaar. De zegeningen van de vooruitgang vallen stuk voor stuk je hoofd binnen als je, speurend naar literaire correspondenties, door de kelders en zolders manoeuvreert van uitgeefhuis Singel 262 en de geannexeerde buurpanden. Het is zoeken tussen de dozen met krantenknipsels en planken met verstoft promotiemateriaal, in de souterrains, achterhuizen en op de vlieringen waar de archieven staan van de zes uitgeverijen die daar aan de gracht huizen. En dan vind je ineens tussen de contracten een verdwaald mapje met correspondentie tussen de uitgever van Athenaeum-Polak & Van Gennep en Vladimir Nabokov.

Het papieren brievenarchief is grotendeels overgeheveld naar het Letterkundig Museum, vertelt uitgever Annette Portegies van Querido. Wat er nog in de krochten ligt is extra. „Maar we laten onze archieven liever onaangeroerd dan ze op te schonen.” Dat hangt samen met een historisch schuldgevoel: „Ons vooroorlogse brievenarchief is in de meidagen van 1940 in de tuin van de uitgeverij door de medewerkers in brand gestoken, in een poging de Joodse schrijvers te beschermen die verschenen bij de Duitstalige exiluitgeverij Querido Verlag.”

Zo onherroepelijk laat een archief zich niet meer vernietigen in tijden van clouds, digitale opslagruimte op afstand. In het meest opgeruimde souterrain staat al een deel van het archief van de toekomst: de server van de uitgeverijen. Daar wordt de e-mailcorrespondentie opgeslagen. „Alleen de mailwisselingen met auteurs worden helemaal bewaard,” zegt Portegies. „Elke uitgever en redacteur heeft auteursmappen in zijn of haar mailprogramma. Van die mails wordt automatisch een backup gemaakt. Ze zijn geordend op auteur, en binnen het mailprogramma kun je zoeken op datum of onderwerp. Hoe het Letterkundig Museum de e-mails te zijner tijd overgedragen wil krijgen weet ik niet – misschien gewoon op een externe harde schijf.”

Graag die schijf, zegt Aad Meinderts, directeur van het Letterkundig Museum. De huidige collectie digitale archiefstukken van het Haagse museum laat zich samenvatten als ‘de floppy’s van Boudewijn Büch’, want er is nog geen erfgenaam geweest die een harde schijf heeft afgestaan. „Die floppy’s hebben we een tijdje geleden als gimmick tentoongesteld,” zegt Meinderts. „We wilden benadrukken dat dit ook belangrijke archiefstukken zijn. Er is natuurlijk geen donder aan te zien.” Met zijn voorganger Korteweg is hij het eens dat e-mail en brief wezenlijk van karakter verschillen. „Als bouwstenen voor een biografie of een literatuurhistorische publicatie zijn brieven zeer belangrijk. In het verlengde daarvan geldt dat voor het mailverkeer. Telefoon is voor een deel overgenomen door e-mail, dus papieren correspondenties zullen in omvang afnemen, maar je krijgt daar een ontstellende hoeveelheid digitaal materiaal voor terug.”

Onlangs maakte het museum bekend dat de archieven van de in 2010 overleden schrijver en essayist Rudy Kousbroek daar ondergebracht zijn. Zonder e-mails. „Ongetwijfeld e-mailde hij, net als Kees Fens die vrijwel nooit brieven schreef,” zegt Meinderts. „Soms tref je uitgeprinte e-mails aan, maar daarmee houdt het op. Het is de laatste jaren voor ons wel steeds natuurlijker geworden om ook te vragen naar elektronische bestanden. Maar mensen zijn huiverig om ons die te geven.”

Het probleem is dat je aan de buitenkant van een harde schijf niet kunt zien wat je weggeeft, merkt Meinderts. „Het heeft iets beangstigends: wat geef ik nu eigenlijk uit handen? Een doos met brieven van Lucebert herken je, maar als die verborgen zit in een elektronisch bestand is dat moeilijker. Bij een archiefoverdracht wordt wel eens onderscheid gemaakt tussen archiefstukken: een deel mag dan pas na tien jaar worden ingezien. Zulke afspraken worden ook lastiger. Het is voor ons ook nog een onwennige situatie.”

‘Wij zijn nog zoekende,” zegt ook Klaas van der Hoek, conservator bij de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam. „We hebben het archief van Arnon Grunberg en daarin zit ook digitaal materiaal, maar dan vooral in afgeleide vorm – afgedrukte e-mails dus. Zijn secretaris stuurt bovendien met zekere regelmaat zijn digitale agenda aan ons door: afsprakenlijstjes, werklijstjes. We bewaren die nu op een externe harde schijf, in afwachting van een betere oplossing. Maar ik ben van huis uit mediëvist. Er zullen conservatoren moeten komen met specifieke kennis over de nieuwe technische ontwikkelingen, en wat handig is om te doen.”

„Ik zou zeggen: wat digitaal was, moet in elk geval digitaal blijven,” zegt Meinderts, maar richtlijnen over hoe de digitale archieven ingericht zouden moeten worden, heeft hij niet. Die wil hij ook niet geven: „Wij zijn archeologen, we treffen iets aan dat al gevormd is. Dat moet je niet beïnvloeden.” Daarom heeft hij ook bedenkingen bij de proef die zijn Letterkundig Museum komend jaar wil gaan uitvoeren. „Met onder anderen de schrijvers Anna Enquist en Marcel Möring willen we afspraken maken over het overdragen van hun mailcorrespondentie. Er zou in de proef een computerprogrammaatje meelopen waardoor er direct een afschrift van een e-mail naar het museum gaat. Dat moet uiteraard waterdicht beveiligd zijn, maar er zitten meer archiefethische bezwaren aan. In principe accepteert een archivaris niets wat hij niet ziet – je wilt niet opgescheept worden met waardeloze informatie. Maar het belangrijkste is dat een schrijver erdoor beïnvloed kan worden: je toekomstige biograaf zou wel eens kunnen meelezen. Wanneer je weet dat er een opnameapparaat meedraait heb je ook een ander gesprek.”

Het probleem gaat niet alleen op voor letterkundigen, zegt Klaas van der Hoek. „Omgaan met digital born materiaal houdt de hele archiefwereld bezig: de UKB, het samenwerkingsverband van de universiteitsbibliotheken en de Koninklijke Bibliotheek, heeft een werkgroep opgericht om richtlijnen op te stellen.” Meinderts vraagt zich af of het de taak van het museum is om het vóór te zijn. Wie mogelijk belangwekkende mailcorrespondentie bezit, moet daar voorlopig gewoon verantwoordelijk mee omgaan, vindt hij. Wouter van Oorschot, van uitgeverij Van Oorschot, heeft er ook geen sluitende oplossing voor: „Zo’n beetje alles wordt daarom bewaard en af en toe verdwijnen er hele jaren omdat iemand op het verkeerde moment ‘delete’ indrukt. Bij wijze van spreken dan.”

    • Thomas de Veen