De mythe van de groene economie ontrafeld

Bevindt Nederland zich op een kantelpunt? Ja, zegt professor Rotmans. Twee onderzoekers ontrafelen de mythe van de groene economie. En hoe kan de samenleving zich wapenen tegen het onvoorziene? Drie boekbesprekingen.

Bij alle onheilstijdingen over de opwarming van de aarde en het verlies van biodiversiteit is er gelukkig ook hoopgevend nieuws. Grote bedrijven zijn gaan inzien dat verduurzaming de toekomst heeft en gaan om de tafel met ngo’s. Jonge ondernemers starten groene bedrijfjes, en er zijn inmiddels allerlei producten te koop die met minder milieuschade dan voorheen zijn geproduceerd. Consumenten zijn bereid voor dit soort spullen tot 10 procent meer te betalen. Aan steeds betere zonnepanelen en windmolens wordt hard gewerkt. Zo bewijst de wereld dat er sprake is van voortschrijdend inzicht en aanpassingsvermogen.

Dit geruststellende en optimistische wereldbeeld wordt overtuigend aangevochten in het radicale, maar goed gedocumenteerde boek van twee onderzoekers van de Universiteit Leuven, milieukundige Anneleen Kenis en politicoloog Matthias Lievens. Zij houden in dit publieksboek het concept ‘groene economie’ tegen het licht – en het resultaat stemt behoorlijk moedeloos.

Heel mooi, CO2-uitstoot compenseren na een vlucht. Jammer alleen dat ter compensatie van vluchten boeren van hun land worden verdreven om grondwater zuipende productiebossen van eucalyptusbomen aan te planten. Heel mooi, een bank als HBSC die ruimhartig doneert aan het Wereld Natuur Fonds. Wel jammer dat diezelfde bank tegelijkertijd in teerzandolie in Canada blijft beleggen, één van de meest milieuvervuilende praktijken ter wereld.

„Veranderen zonder te willen veranderen” kenmerkt volgens deze auteurs de meeste grootschalige milieumaatregelen. Het motto People Planet Profit klinkt mooi, maar behelst niet meer dan het op zijn hoogst wat bijsturen van bestaande praktijken. Interessanter dan deze lijst van veelal bekende voorbeelden van het verkeerd uitpakken van klimaatbeleid, zijn daarom de onderliggende vragen die de twee onderzoekers stellen. Ze wijzen bijvoorbeeld op de sociale ongelijkheid waarmee milieucatastrofes én de maatregelen daartegen nu vaak gepaard gaan. Het zijn zelden maatschappelijke elites die vlakbij kerncentrales, olieraffinaderijen, et cetera wonen. De rijkste delfstofvoorraden van deze wereld bevinden zich niet toevallig onder de rijkste natuurgebieden, waar regelmatig nog de laatste inheemse volkeren wonen, zoals de Inuit in Canada. Zij zijn geen partij voor regeringen en energiegiganten.

Ook waarschuwen de onderzoekers tegen wat zij noemen de ‘depolitisering’ van het klimaat- en milieubeleid. Bij gebrek aan politieke daadkracht verwordt het tot een soort morele toetssteen, iets waar niemand tegen kan zijn maar waar niemand ook echt iets aan hoeft te doen. Tot slot zetten de twee vraagtekens bij het bejubelde principe van de stakeholder dialogue, waarbij alle betrokkenen rond een kwestie zoals bijvoorbeeld fout hout, rond de tafel gaan zitten om tot een compromis te komen. Al te vaak, zo is hun stelling, komen bedrijven hierdoor te makkelijk weg.

Het is duidelijk in welke hoek deze onderzoekers zich bevinden: het zijn ook klimaatactivisten. En het is de vraag of het model dat zij tegenover de stakeholder dialogue zetten – het activistische, om niet te zeggen neomarxistische strijdmodel met zijn jargon van ‘strijd’, ‘verzet’ en ‘revolutie’ – de zaken wél vooruit helpt.

De activistische toon van dit boek zal wellicht veel lezers in het verkeerde keelgat schieten. Dat is oprecht jammer, want het is een nuttige waarschuwing tegen al te veel technologisch en economisch optimisme. Daarbij hebben de auteurs gelijk als zij stellen dat win-win-winsituaties niet of nauwelijks bestaan. In de kern vergen milieu- en klimaatbeleid echte, pijnlijke, politieke keuzes. Het ‘meer’ van economische groei en het ‘minder’ dat ecologie ten goede komt, staan negen van de tien keer haaks op elkaar. Frames als ‘met zijn allen tegen de opwarming van de aarde’ of ‘duurzame groei’ verhullen dat werkelijke politieke keuzes dus hetzij economische, hetzij ecologische consequenties zullen hebben. Dat is de grimmige boodschap van dit boek. Het is een boodschap die niemand wil horen. En juist daarom is het zaak er kennis van te nemen.

    • Maartje Somers