Niet iedereen is blij met nieuwe Rembrandts

Vanaf vandaag hangen reproducties van alle 325 erkende Rembrandts op een tentoonstelling in Amsterdam. Over sommige is discussie.

Ten minste elf werken wijst Rembrandtkenner Ernst van de Wetering vandaag toe aan Rembrandt, terwijl die eerder zijn afgeschreven. Bij zes gaat het om schilderijen die grote musea als het Metropolitan in New York, het Louvre in Parijs, de National Gallery in Londen, de Gemäldegalerie in Berlijn en het Boijmans Van Beuningen in Rotterdam niet als echte erkennen.

Deze zes toeschrijvingen zijn onderdeel van de complete vaststelling van het oeuvre van Rembrandt op 325 schilderijen door Van de Wetering. Dat heeft hij gedaan voor de permanente tentoonstelling Rembrandt, all his paintings, die vandaag in Magna Plaza in Amsterdam opent. Van de Wetering wil niet het precieze aantal hertoeschrijvingen noemen, omdat hij „genoeg heeft van de hijgerigheid daarover in de media”.

In Magna Plaza zijn al die 325 Rembrandts te zien als reproducties. Digitale technieken zijn gebruikt om te proberen de schilderijen met Van de Weterings inzichten weer te geven in de staat waarin ze het atelier van Rembrandt verlieten.

In de musea waar de zes hangen, houden ze voorzover nu bekend gewoon aanduidingen als „uit de tijd van Rembrandt”. De conservatoren zijn door de feestdagen niet voor commentaar bereikbaar.

Van de Wetering geeft wel voorbeelden van meningsverschillen. Zo heeft conservator Betsy Wieseman van The National Gallery een boek uitgebracht waarin ze de argumenten beschrijft waarom Studie van een oude man in een stoel (1652) niet van Rembrandt kan zijn. „Dan is het pijnlijk als je zou moeten toegeven dat het wel een Rembrandt is”, zegt Van de Wetering. „‘Let’s agree to disagree’, liet ze mij weten. Maar zo zit ik niet in elkaar. Ik heb gewoon gelijk”, zegt hij grijnzend.

In een rondleiding tijdens de opbouw van de tentoonstelling blijft Van de Wetering bij een zelfportretje uit 1629 staan. Zoals veel werken heeft Rembrandtkenner Horst Gerson deze in de jaren zestig afgeschreven toen hij een veel gevolgde catalogue raisoneé samenstelde. Het Metropolitan in New York omschreef het bij de expositie Rembrandt, Not Rembrandt in 1995 als een modest hommage to Rembrandt.

„Ik ontdekte vorig jaar op bezoek in het Metropolitan onder de schilderlaag een schildering van een man met ijzeren kraag zoals Rembrandt die veel maakte.” Van de Wetering zag ook andere bewijzen, zoals het hout van het paneel uit 1614 en de handtekening die in röntgenopnamen zichtbaar was. ’s Avonds op een discussiebijeenkomst van de International Foundation for Art Research (IFAR) maakte hij zijn ontdekking bekend. Conservator Walter Liedtke zat, nog niet ingelicht, in de zaal en kreeg de vraag of hij het zou accepteren. „Mogelijk”, antwoordde Liedtke, maar hij heeft het nooit gedaan. Van de Wetering geeft een kopie van een artikel uit het IFAR Journal dat het dispuut weergeeft dat daarna rees. Liedtke houdt vast aan de opvatting dat Rembrandt het zelfportret niet geschilderd kan hebben met opmerkingen over de stijl en kwaliteit ervan.

Van de Wetering hekelt de opstelling van veel conservatoren. „Ze baseren hun toeschrijvingen op hun ‘kennerschap’. Ze hebben een bepaald Rembrandtbeeld in hun hoofd zitten en vinden dat Rembrandt in een bepaalde periode zo geschilderd moet hebben. Ze kijken niet hoe Rembrandt zelf voortdurend de schilderkunst onderzocht en ermee experimenteerde”, zegt hij.

Ernst van de Wetering zet sinds de oudere leden stopten in zijn eentje het Rembrandt Research Project voort. Dat was zelf in de jaren zeventig en tachtig verantwoordelijk voor veel afschrijvingen. „Ook wij zijn soms te snel geweest”, zegt hij nu. In het zesde deel van het Corpus of Rembrandt Paintings, dat volgend jaar uitkomt, onderbouwt hij zijn toewijzingen.