Journalist? Ik háát journalisten!

In Israël leer je in de dagelijkse omgang vanzelf te verzwijgen dat je correspondent bent. Liever zeg je dat je komt voor de zon en de zee.

Palestinian journalists react after an Israeli air strike on the office of Hamas television channel Al-Aqsa in a building that also houses other media in Gaza City November 18, 2012. Israel bombed militant targets in Gaza for a fifth straight day on Sunday, launching aerial and naval attacks as its military prepared for a possible ground invasion, though Egypt saw "some indications" of a truce ahead. REUTERS/Majdi Fathi (GAZA - Tags: MILITARY CONFLICT MEDIA) REUTERS

Correspondent Israël

Tel Aviv. De eerste dag op de Hebreeuwse taalschool in Tel Aviv, die ik anderhalf jaar geleden na aankomst in Israël bezocht, kreeg ik een voorproefje van wat komen zou. Toen ik me voorstelde als journalist, vroeg juf Esther streng: „Je schrijft toch niets dan goeds over ons land, mag ik hopen?”

Ik stamelde. Niet alleen omdat ik het Hebreeuws nog niet machtig was, ook daar ik verbouwereerd was over deze vraag, die mij in Nederland nooit werd gesteld. Wat dacht ze dat ik kwam doen? Schrijven hoe fijn de zon scheen? Hoe ijverig de ambtenaren werkten? „Natuurlijk”, antwoordde ik.

Daarop volgden talloze gesprekken met winkeliers en passanten op straat, die altijd eerst willen weten waar ik vandaan kom. Dan of ik joods ben. Daarna: of ik van Israël houd. Als ik zeg dat ik niet van Israël „houd”, luidt de respons steevast: „Wat doe je hier dan? Ga terug naar je eigen land!”

De bekentenis dat ik een journalist ben, die met name over politiek en conflict schrijft, valt nagenoeg nooit goed. Ik herinner me een dakbedekker, die vorige winter bij mij thuis een lekkage moest verhelpen. „Ik háát buitenlandse journalisten”, zei hij tegen mij, terwijl ik een artikel probeerde te tikken. „Toen ik in de ultranationalistische jeugdbeweging zat, heb ik brandbommen op ze gegooid.”

Zelfs beroepsgenoten kunnen genadeloos zijn. Een Israëlische journaliste bekende mij dat ze een buitenlandse collega had aangegeven bij de geheime dienst, omdat hij naar haar smaak te veel kritiek uitte op de Israëlische veiligheidscontroles. Zijn van thuis meegebrachte en vacuüm verpakte proviand was door de douane lek geprikt. Hij vond dat overdreven, schreef hij op Facebook. Zij meldde hem aan als staatsgevaarlijk.

Een andere trigger voor hevige reacties is de Gazastrook, die ik regelmatig bezoek. Daarover leven bij het Israëlische publiek vreemde vooroordelen. „Daar moet je niet heen gaan! Hamas verkracht je!”, riep een man die vorige zomer in een tent in Tel Aviv demonstreerde tegen de hoge huurprijzen. Toen ik vertelde dat deze moslims mij altijd zeer hoffelijk behandelen, viel hij van zijn klapstoel.

Terwijl ik en andere Nederlandse journalisten tijdens het recente Israëlische offensief tegen Hamas verslag deden vanuit Gaza, klonk het vanuit de Nederlandse gemeenschap in Israël, onder andere: „Hier wonen in alle vrijheid, lekker naar het strand, lekker eten, beetje drinken... en zodra er stront aan de knikker is gauw naar Gaza om dode kinderen proberen in beeld te krijgen.” Met een oproep tot boycot van de Nederlandse media.

Na een bomaanslag op een bus in Tel Aviv, vorige maand, schreef een Israëlische kennis op Facebook: „Daar had jij in kunnen zitten, Leonie van Nierop”. Het voelde als een wens.

Hoewel mijn huid na anderhalf jaar in Israël een stuk dikker is geworden, mijd ik de woorden ‘journalist’ en ‘Gaza’ tegenwoordig liever in de dagelijkse omgang met Israëliërs. Ik merkte onlangs dat ik onbewust een techniek heb ontwikkeld waarbij ik mijn alledaagse gesprekspartners aftast en inschat hoe eerlijk ik kan zijn, zonder in conflict te hoeven geraken – en zonder te liegen.

Zo kan ik op de vraag of ik joods ben, zeggen dat ik een joodse grootvader heb. Dat wil het ijs nogal eens breken. Gevraagd wat ik in Israël doe, kan ik antwoorden dat mijn vriend hier werkt. En daaraan toevoegen dat ik zo „houd” van de zon de zee. Gegarandeerd succes. Maar ook een beetje laf.

Vorige maand bietste ik in een bar een sigaret bij wat jongens. En daar kwam het weer: „Waar kom je vandaan? Wat doe je hier?” Et cetera. Na een taxatie van hun tolerantievermogen – dreadlocks, boeddhistische tatoeages, joints – vertelde ik dat ik net de oorlog vanuit Gaza had verslagen.

Even later kwam een van de jongens naar me toe. Hij gaf me zijn halfvolle pakje peuken en bedankte me voor mijn „bijdrage aan de democratie”, omdat ik had onderzocht wat het Israëlische leger in zijn naam uitvoerde. Israëliërs mogen de Gazastrook niet in.

Nu vond ik een bedankje wat overdadig. Maar het deed me wel beseffen wat ik, juist als journalist, ook zeer waardeer aan de Israëlische mentaliteit: die ongeëvenaarde openhartigheid.

    • Leonie van Nierop