Is het straks: Er was eens echt heel goed cabaret? Het Kleine-Komedie-meisje met zwavelstokjes

Per 1 januari kort Amsterdam de steun aan de Kleine Komedie. Directeur Vivienne Ypma legt uit wat dat voor consequenties voor haar en het cabaret in Nederland heeft.

D it zijn de dagen van Het meisje met de zwavelstokjes. Het begint zo: ‘Het was afschuwelijk koud, het sneeuwde en het begon donker te worden. Het was ook de laatste avond van het jaar, oudejaarsavond.’ En dan verschijnt ze, de hoofdfiguur in dit sprookje van Hans Christian Andersen uit 1845: het arme, kleine meisje dat blootsvoets en blootshoofds op straat loopt om nog wat centjes te verdienen met de verkoop van haar lucifers, de zwavelstokjes. ‘Niemand had haar ook maar een stuivertje gegeven. Hongerig en koud liep ze daar en ze zag er zo zielig uit, dat arme stakkerdje! De sneeuwvlokken vielen in haar lange, blonde haar, dat zo mooi in haar nek krulde, maar aan dat soort dingen dacht ze echt niet. Uit alle ramen scheen licht naar buiten en het rook overal zo lekker naar gebraden gans; het was immers oudejaarsavond en daar dacht ze wel aan.’ (vertaling Annelies van Hees).

De negentiende-eeuwse schrille armoe die schrijvers als Andersen en Dickens in hun feestdagensprookjes aan de kaak stelden is gelukkig al lang voorbij. Misschien komt het doordat het bijna oudejaarsdag is. En dat zich op nieuwjaarsdag, door bezuinigingen, een nieuwe en hardere werkelijkheid aandient voor delen van cultureel Nederland. Maar de verbinding tussen het sprookje Het meisje met de zwavelstokjes en de situatie waarin Vivienne Ypma, directeur van De Kleine Komedie, zich bevindt, is eenvoudig gelegd. Ook zij moet door een forse subsidiekorting vanaf 1 januari langs de mensen om geld op te halen voor haar theater.

Ypma, sinds 2006 directeur van dit Amsterdamse theater, een van Nederlands belangrijkste podia voor cabaret, kleinkunst en theaterconcerten, wil „niet piepen”, zegt ze: in vergelijking met gesubsidieerde kunstinstellingen en gezelschappen die alles kwijtraken, zit zij in een betere positie. Maar toch.

In de verslaggeving over de gevolgen van de cultuurbezuinigingen van het afgelopen jaar is vooral stilgestaan bij de gevolgen voor de gesubsidieerde kunstsectoren. Maar Ypma werkt volledig met ongesubsidieerde theatermakers, die zelf ondernemer zijn. Over de gevolgen van de cultuurbezuinigingen op die sector bestaan nog wel wat misvattingen die ze graag uit de weg wil ruimen.

„Het is een sprookje om te denken dat er kunstsectoren zijn die helemaal zonder subsidie kunnen bestaan”, is haar stelling. „Hoewel wij dankzij hoge zaalbezettingen nu 75 procent eigen inkomsten halen, blijft aanvullende financiële ondersteuning onontbeerlijk. Vooral om kunstenaars te herkennen en te begeleiden in hun ontwikkeling is er hulp nodig. Een beginnende, onbekende cabaretier, trekt geen volle zalen.”

Het hele stelsel waarbij de makers zich kunnen ontwikkelen verandert „doordat de subsidiekortingen ook instellingen als ons theater treffen”, vertelt Ypma.

De Kleine Komedie vervult al jaren een spilfunctie bij de ontwikkeling van kwalitatief, inhoudelijk cabarettalent. „Wij bieden jonge talenten die potentie hebben, de kans zich hier te laten zien. Die zalen zitten nog lang niet vol. Dat is wel het geval bij gevestigde namen als Youp van ’t Hek, Theo Maassen, Lebbis & Jansen, Sanne Wallis de Vries, Mike & Thomas, NUHR etcetera. Maar zij hebben ook ooit de kans gekregen hier te beginnen. Hun volle zalen wegen weliswaar op tegen de lagere inkomsten bij de beginners maar dat is niet genoeg om te kunnen draaien. Ondanks onze uitgeklede bedrijfsvoering en de medewerking van al deze artiesten moet er geld bij.”

„Het kunnen laten zien van beginnende talenten en het tonen van hun ontwikkeling kost geld en in haar eentje kan een theater als De Kleine Komedie dat niet opbrengen”, vertelt Ypma, „ook niet door het programmeren van succesvolle artiesten. Daarom is ze blij dat ze subsidie van de gemeente Amsterdam krijgt. Tot en met dit jaar was dat 6 ton, ongeveer een kwart van de bruto inkomsten van het theater. Maar per 1 januari 2013 gaat daar een derde deel van af. Dan moet De Kleine Komedie het jaarlijks met 4 ton steun van de stad doen. Want volgens de Amsterdamse Kunstraad moet een succesvol theater als De Kleine Komedie, met populaire, laagdrempelige kleinkunst en cabaret, zichzelf wel kunnen bedruipen.

„Tweehonderdduizend euro minder, dat lijkt vergeleken met heel veel andere instellingen misschien niet zo veel, maar voor ons maakt het net het verschil”, zegt Ypma, „het zorgt ervoor dat we de functie van talentontwikkeling overeind kunnen houden. Op korte termijn merk je daar misschien nog niets van, maar over een aantal jaren droogt de bron op. Dan is er geen nieuw aanbod meer om te tonen. Het zou een enorme kapitaalvernietiging zijn.” Ypma denkt dat ze op jaarbasis toch 3 ton extra steun nodig heeft .

In Nederland is het tot dusver zo geregeld dat het Rijk de theatergezelschappen subsidieert en de gemeenten de theaters en podia. „Dat betekent dat de reguliere theaters profiteren van twee subsidiestromen: de gezelschappen die bij hen komen spelen krijgen rijkssubsidie en het theater zelf krijgt steun van de stad. Ook voor die theaters wordt het steeds moeilijker overeind te blijven en wordt vaak gekozen voor voorstellingen die weinig kosten en veel opbrengen. Maar bij ons is het wezenlijk anders. De makers die wij laten zien ontvangen geen subsidie om hun kunst te ontwikkelen. Zijzelf en de impresariaten die hun voorstellingen produceren zijn volledig afhankelijk van de theaterinkomsten. Als die theaters geen geld meer hebben om risico’s te nemen, dan hapert het. Dan stopt de ontwikkeling van kleinkunst en cabaret. Dan is er geen avontuur meer. Dan is het sprookje uit.”

Naast de gevolgen voor de gesubsidieerde instellingen zijn de consequenties van de bezuinigingen voor de ongesubsidieerde sector volgens haar nog onvoldoende aan de orde gekomen. „Ik zal nu als een modern meisje met de zwavelstokjes langs de deuren moeten gaan om geld op te halen. Ik hoop mensen die het kunnen missen warm te maken ons te steunen. Zo’n vaart als in de foto’s bij dit interview zal het heus niet lopen. Deze succesvolle cabaretiers redden het wel. Maar om het publiek ervan bewust te maken dat toekomstige cabaretiers veel slechter af zijn als we geen aanvullende financiering vinden, hebben we voor deze sprookjesmetafoor ‘met een knipoog’ gekozen. De toekomst van de cabaretsector staat op het spel.”

Het meisje met de zwavelstokjes in Andersens sprookje vroor dood in de nacht van Oud op Nieuw, gezeten in de sneeuw, dromend van een mooie toekomst. Vivienne Ypma gaat dat niet gebeuren, zegt ze. Zij droomt over een warme toekomst voor de ongesubsidieerde podiumkunstenaars en organiseert allerlei activiteiten om haar zwavelstokjes aan de man te brengen.

    • Paul Steenhuis