De vetkaars

In Denemarken is een sprookje van Hans Christian Andersen ontdekt. Hij schreef het in 1821, toen hij 16 was. Waarschijnlijk was het zijn allereerste sprookje. Hieronder een bewerkte versie.

Het knisperde en siste toen de vlam de ketel verhitte. De ketel was de wieg van de vetkaars. Uit die warme wieg ontstond een smetteloze kaars, stevig, stralend, wit en slank. Zijn vorm deed iedereen die ernaar keek geloven dat de kaars een belofte was voor een lichte en stralende toekomst.

De moeder van de kaars was een schaap, een sierlijk, klein schaap*. De smeltkroes was zijn vader. De moeder had de kaars een stralend, wit lichaam meegegeven en een voorgevoel over het leven. Van zijn vader had hij een gloeiend verlangen naar het vlammende vuur meegekregen.

Zo werd hij geboren en groeide hij op. Hij kwam veel vreemde dingen tegen, waar hij zich mee bezighield omdat hij het leven wilde leren kennen en misschien ook om de plek te vinden waar hij het beste zou passen. Maar hij had te veel vertrouwen in de wereld, die zich alleen om zichzelf bekommerde en helemaal niet om een vetkaars. Een wereld, die de kaars niet op waarde kon schatten en hem wilde gebruiken voor haar eigen doeleinden. De wereld hield de kaars verkeerd vast en er kwamen zwarte vingerafdrukken en steeds grotere vlekken op de smetteloze witte onschuld van de kaars, tot hij er uiteindelijk helemaal onder verdween. Hij was volledig bedekt door het vuil van de wereld. Foute vrienden merkten dat ze niet konden doordringen tot het binnenste van de kaars, en gooiden hem weg als een nutteloos voorwerp.

De vuile buitenkant hield alle goede vrienden op afstand, ze vreesden dat het roet zou afgeven en bleven daarom uit de buurt.

Daar stond die arme vetkaars dan, eenzaam en alleen en radeloos. Hij voelde zich ongelofelijk ongelukkig. Hij begreep niet waarom hij was geboren, hij wist niet wat zijn plek was, hij wist niet wat hij doen moest.

Meer en meer en dieper en dieper ging de kaars nadenken, maar hoe meer hij naar zichzelf keek, hoe treuriger hij werd. Hij kon niets goeds ontdekken. Het was alsof de roetzwarte mantel ook de ogen van de kaars bedekte.

Maar toen ontmoette de vetkaars een vlammetje, een tondeldoosje**. Dat begreep de kaars beter dan de kaars zichzelf kende. De tondeldoos had een helder zicht en keek recht door de buitenkant heen – en in het binnenste vond het doosje zoveel goeds. Het kwam dichterbij en de kaars was vol van stralende verwachting – hij ontvlamde en zijn hart smolt.

De vlam lichtte op als de triomfantelijke fakkel op een zalige bruiloft. Het licht barstte los en alles eromheen werd helder. De kaars verlichtte de weg voor zijn omgeving. In het licht van de kaars kon je de waarheid vinden.

Het lichaam was stevig genoeg om de gloeiende vlam levensvatbaar te maken. De ene druppel na de andere droop bol en strak langs de buitenkant omlaag. Ze bedekten het oude roet.

De vetkaars had zijn juiste plek in het leven gevonden. Hij kon laten zien dat hij een echte kaars was. Hij scheen nog vele jaren en maakte zichzelf en anderen gelukkig.

*Uit schapenvacht werd vroeger vet gesmolten om kaarsen te maken. **Een tondeldoos is een soort aansteker.