De toekomst vinden we nu een tranendal

Daar zitten we dan. In de riant geoutilleerde piepzak. We deden meer supermarktinkopen dan ooit, meer Beter-Leven-kippen, meer scharrelrollades, meer prosecco, meer ‘feeststol’, dan het jaar daarvoor, en ook de vuurwerkomzetten beloven weer een nieuw record. Op de platforms van Schiphol is het een gedrang en getoeter alsof er niets aan de hand is. Pleur op met die bak, ik moet skiën.

Het gaat uitstekend, maar het gaat niet goed.

We houden de moed erin, maar het is niet genoeg. Op televisie verschijnt een oud-politicus met dik grijs haar die meent dat het wel een tandje meer kan. Als de regering nou eens zorgde voor meer vertrouwen, dan gingen de mensen weer geld uitgeven, en dan kwam het weer goed met de economie. Het is de waanzin in een notedop. Zelf acht de regering het onverantwoord om zijn bestedingen op peil te houden, maar de burgers wordt verzocht dat toch vooral wel te doen. Ten behoeve van ‘de economie’, een soort blokverwarming die per se niet uit mag vallen, dus of we maar wat willen offeren, een oude stoel, een dekenkist, maakt niet uit. De boekenkast desnoods, of je bed. Als het Grote Vuur maar niet uitgaat.

Ook de vorstin pleitte voor meer vertrouwen en Diederik Samsom liet meteen weten dat haar toespraak wat hem betrof ‘de juiste toon voor 2013’ trof. Alsof het over de voorjaarsmode ging.

Maar wij herkenden het: Hoop en Vertrouwen, twee voorname pijlers onder het discours van de nieuwe PvdA-leider. Neem wat hij vorige week nog zei in deze krant: „Dit decennium hebben we nog, anders stormen we de afgrond in. We moeten de maatschappij voorbereiden op lagere groei, een vergrijzende bevolking, klimaatverandering en de energiecrisis”.

Want vertrouwen is de juiste toon voor 2013. Het achteloze gemak waarmee moderne politici met non sequiturs strooien is soms verbijsterend. Anything goes. De juiste toon voor 2013: Hoop, Vertrouwen en Zeven Kleuren Stront.

Samsom wil Nederland „klaarmaken voor een nieuwe realiteit”. Let op de woordkeuze. Achter de horizon schuilt een dreiging, onzichtbaar voor gewone stervelingen maar gelukkig niet voor deze leider, die op een keukentrapje staat, met een verrekijker. En wat hij ziet, is een boze, nieuwe realiteit. Waarvoor hij ons ‘klaar gaat maken’. De rillingen lopen over je rug.

‘De toekomst is een tranendal. Volg mij en ik leid u er heen!’

Dystopia als vergezicht.

Dat neoliberalen de verzorgingsstaat standaard voorstellen als een exces, als de onhoudbare extravagantie die onze ondergang wordt, tenzij we spoorslags ‘hervormen’, dat weten we, maar als we volgens links ook al op een ‘afgrond afstormen’, hoeven we van die kant weinig tegenspel meet ver wachten. Wie o wie durft nog écht van hoop en optimisme te spreken?

Het woord ‘toekomst’ zoals mijn vader het uitsprak, als wenkend perspectief, als glorieus vooruitzicht, als positieve extrapolatie van het heden – je hoort het nooit meer. Streep het aan in de krant, het woord ‘toekomst’ heeft vrijwel altijd gezelschap van narigheid en problemen. Het wordt ook steeds vaker gecombineerd met ‘overleven’. ‘Hoe overleven we de toekomst’ – een bundel essays van Joris Voorhoeve. De toekomst is oneindig, die kún je helemaal niet overleven, maar we hebben er een gebeurtenis van gemaakt, een episode, die ons fataal wordt of niet. Daarom beloven politici ons ‘toekomstbestendig’ beleid. Alsof je ook bestendig kunt zijn tegen het verleden.

Het is de hyperbolisering van het debat. Niets mag nog klein en betrekkelijk zijn, op alles wordt beeldvullend ingezoomd. Hoe vaak zijn de beurskoersen sinds 2008 al niet ‘ingestort’ en in een ‘vrije val’ geraakt? Kennelijk krabbelen ze ‘s nachts stilletjes weer op. Beurskoersen aan een bungeekoord. Die ‘financiële meltdown’, hoe vaak moet die zich eigenlijk voordoen voor we echt eens wat rook zien?

Arjo Klamer verwoordde afgelopen maandag nog treffend op deze pagina: op een paar procenten na zijn we nog nooit zo rijk geweest, en toch spreken we voortdurend van een ‘crisis’. Crisis – ook een woord om eens op te letten. Een uitbraak van salmonella, gedoe met asbest, heette zoiets vroeger een ‘affaire’, tegenwoordig is het een ‘crisis’. Menselijke fout wordt autonome stoornis. Natuurramp. Een witte draaikolk op het radarscherm. Daar komt hij. Een ‘nieuwe realiteit’. En Diederik gaat ons er ‘klaar voor maken’, anders gaan we ‘de afgrond in’.

Nee dank je, Diederik. Wij zíjn helemaal niet bang, dus probeer het ons ook niet te maken. Goeie reis naar die ‘nieuwe realiteit’, maar als je ’t niet erg vindt, nemen wij een andere bus. Recht op de afgrond af. In het vertrouwen dat hij niet bestaat.

Jan Kuitenbrouwer is journalist, schrijver en directeur van de Taalkliniek.